Weg met het grootkapitaal

Na drie romans, alle drie met een tamelijk ingewikkelde intrige, laat Michel Krielaars in zijn vierde boek de teugels enigszins vieren. De zesentwintig soms zeer korte verhalen die hij bijeenbracht in Vanillevla met frambozen, hebben zeker op het eerste gezicht iets zeer luchtigs over zich. We krijgen flitsen te zien uit allerlei levens en dus geen afgeronde geschiedenissen, zoals eerder in Meeuw (1996), En het dansen gaat door (1998) en Afkomst (2002). Het zijn puncties, geen dieptepeilingen. Er wordt iets aangestipt en dan is het ook alweer voorbij. Dat levert vlotte, soms aardige verhalen op, over jonge en oudere mensen in steden en dorpen, lommerrijk gelegen villa's en kale nieuwbouwwijken. Krielaars verliest zich deze keer niet in zijpaden en details. De flitsgewijze aanpak komt ook zijn stijl ten goede, die trefzekerder is geworden en minder omslachtig, al ontkomt hij ook nu niet aan het teveel, bijvoorbeeld wanneer over een vrouw wordt opgemerkt dat je aan `het woeste dichtslaan van de voordeur' kunt horen dat zij boos is. Of wanneer over een geknakte vader in een verhaal over een omgekomen zoon, in de slotzin deze overbodige observatie wordt gedaan: `Toen ik hem van opzij aankeek, zag ik dat hij een gekweld mens was.'

Zoals uit deze citaten al mag blijken, gaat het in de verhalen van Krielaars, de luchtige aanpak ten spijt, er nog altijd niet erg vrolijk aan toe. Een man is op weg naar een reünie van zijn middelbare school, maar keert op zijn schreden terug als hij ziet hoe gearriveerd zijn vroegere klasgenoten zijn. Een andere man zucht onder het juk van een huwelijk met een kille, jaloerse vrouw en hongert naar hernieuwd contact met zijn jeugdvriendin. Zij wil eerst `uit de kinderen' zijn voordat ze met hem verder wil. `Nog acht jaar, dacht hij toen, nog acht jaar en dan mag ik naar Vera.'

Liefde is het sleutelwoord in Vanillevla met frambozen. Men kijkt smachtend terug naar een nooit overtroffen jeugdliefde, ziet toe hoe zijn geliefde ingepalmd wordt door een ander, is aandoenlijk trouw aan een partner die aan het sukkelen is geraakt, treurt om een dood kind of een dode moeder, of wil wraak nemen op een ex. Gelukkig of zelfs maar tevreden is eigenlijk niemand en dat verleent aan deze verhalen een melancholieke en ook ietwat fatalistische toets. Opmerkelijk is, net als in zijn vorige boeken, de ouderwets naturalistische tendens. Voor ieder mens, zo lijkt Krielaars' bewering te zijn, is een beperkte hoeveelheid liefde voorradig. Is die voorraad opgebruikt, dan kan men alle hoop wel laten varen. Dat is ook precies wat zijn verhaalfiguren vroeg of laat doen: zij leggen zich bij het onvermijdelijke neer.

Allesbepalend is hier, net als in zijn vorige roman, de sociale klasse of het milieu waaruit iemand afkomstig is. Een man of vrouw van eenvoudige komaf kan zich sociaal opwerken door uitzonderlijke studieresultaten of een glanzende carrière, maar normaal gesproken wordt iemand die voor een dubbeltje geboren is niet zomaar een kwartje. Een enkel moment van onachtzaamheid kan het opgeklommen kwartje bovendien al duur komen te staan. Kijk naar Pieter uit het verhaal `Geluk'. Hij is geboren en getogen in Amsterdam-West. Door vlijtige studie en hard werken heeft hij zich een mooie positie verworven als consultant in een internationaal bedrijf, zodat hij een mooi appartement heeft kunnen kopen vlakbij het Vondelpark en zijn vrouw naar hartelust kan shoppen in de PC Hooftstraat. Maar als hij het wel een tijdje wat rustiger aan meent te kunnen doen omdat hij moe is van al het geploeter, treft hij onverhoeds een ontslagbrief aan op zijn bureau. Zijn vrouw, die van goede komaf is, heeft geen enkele consideratie met de kersverse werkloze want zij houdt nu eenmaal niet van `losers'. Daar eindigt het verhaal ongeveer. Het huwelijk zal vermoedelijk op de klippen lopen en Pieter heeft plannen om terug te keren naar zijn oude buurt waar hij, in een eenvoudiger betrekking, meer zichzelf zal kunnen zijn. Een verhaal uit het naturalistische schoolboek.

Het grootkapitaal wordt hier ouderwets tegenover de arbeidersklasse geplaatst. De solidariteit ligt bij de minderbedeelden die geen Alfa Romeo hebben, geen maîtresse, geen tweede huis in Frankrijk, maar ook geen kapsones en die het hart eerder dan de rijke snobs op de juiste plaats dragen. Het grote geluk, zo lijkt Krielaars de menselijke gang van zaken in Vanillevla met frambozen te willen samenvatten, is voor niemand weggelegd. Maar de simpele loonslaven die eerlijk werk leveren voor hun geld, slagen er in elk geval soms nog in om zich te verzoenen met hun karige lot.

Michel Krielaars: Vanillevla met frambozen. Contact. 174 blz. €17,90

    • Janet Luis