We verklaren het publiek de oorlog

Liefde op het eerste gezicht was het niet tussen de Duitse grootheden Schiller en Goethe, maar hun briefwisseling groeide uit tot intellectueel en intiem gesprek. `Neem je die breikous, je roman, ook mee'?

In Louis Ferrons laatste roman Niemandsbruid heeft de vertelster, Adele Schopenhauer, het ergens over `dat vierbenige en tweekoppige bronzen monster dat later, als een ware hellehond, zou waken over de naam en faam die het over zichzelf had afgeroepen'. Het klinkt raadselachtig, maar bedoeld is het beroemde standbeeld van Goethe en Schiller in Weimar. Een monument, ondanks Ferrons lugubere kwalificaties, voor hun vriendschap. Het andere monument daarvoor bestaat uit hun briefwisseling, waaruit nu een zinnige selectie is vertaald door Aart J. Leemhuis, die vooral die brieven heeft gekozen waarin de gedachtewisseling van de beide vrienden tot haar recht komt.

Aanvankelijk was van vriendschap overigens geen sprake. Integendeel. `Een geweldige kloof [gaapte] tussen onze denkwijzen', zou Goethe later schrijven. Voor Schillers eerste toneelstukken kon hij niet veel waardering opbrengen en in Schillers traktaat Anmut und Würde (1793) meende hij zich in negatieve zin te moeten herkennen. Toen Schiller in 1788 naar Weimar kwam, vond hij Goethe na een eerste ontmoeting maar een egoïst, iemand die zichzelf nooit `gaf'. `Ik beschouw hem als een trotse blauwkous, bij wie je een kind moet maken om haar voor de wereld te vernederen', schreef hij achteraf aan zijn vriend Körner.

Goethe zou zoiets nooit hebben gezegd of geschreven; daarvoor was hij te gereserveerd, te beheerst. Toch heeft juist de omgang met Schiller ook hem tot wat meer verbale krachtpatserij verleid. Tegenover de buitenwereld kon hun vriendschap namelijk zeer polemisch uitpakken. `Het insect heeft het steken weer niet kunnen laten. Wij zouden het werkelijk dood moeten jagen, anders komen we niet van hem af', schrijft Schiller over een tegenstander. Goethe laat op zijn beurt weten, over een ander die hun ergernis heeft gewekt, dat hij `veel zin [heeft] om in te grijpen en hem ervan langs te geven'. Duitsland had dringend behoefte aan `een soort oorlogsverklaring tegen de halfslachtigheid'.

Anarchie

De vriendschap begon in 1794, toen Schiller alweer enige tijd in Jena woonde (waar hij geschiedenis doceerde) en Goethe uitnodigde om redactielid te worden van Die Horen – zijn nieuwe tijdschrift dat zich uitdrukkelijk zou keren tegen de politieke `partijgeest', alom aanwezig als gevolg van de Franse Revolutie. Schiller (die nota bene door de Fransen tot ereburger was uitgeroepen) keerde zich tegen de Revolutie, nadat anarchie en terreur de overhand hadden gekregen; Goethe was van meet af aan uiterst sceptisch geweest. Beiden vonden elkaar in hun liefde voor de kunst, een autonome kunst, die zich door nut noch moraal en al helemaal niet door de politiek aan banden wenste te laten leggen. Toch kenden zij aan de kunst en haar schoonheid wel degelijk een moreel en politiek belang toe – juist dankzij het ontbreken van een moralistische of politieke boodschap. Dat belang school in de schoonheid zelf, door Schiller gedefinieerd als `vrijheid in de verschijning'. Als zodanig beval hij de kunst aan als alternatief voor een politieke omwenteling in zijn (in Die Horen gepubliceerde) brieven over de Ästhetische Erziehung des Menschen (1795). De Franse Revolutie was ontspoord omdat het volk er moreel niet op was voorbereid; een `esthetische opvoeding' kon soelaas bieden en de verheven doelen van de Revolutie (vrijheid, gelijkheid en broederschap) realiseren zonder geweld en bloedvergieten.

Hoewel afkerig van alle partijen, waren Schiller en Goethe dus niet geheel apolitiek. `De tijd waarin men leeft kan men niet veranderen', schrijft Goethe aan Schiller, `maar men kan zich ertegen verzetten en gunstige ontwikkelingen voorbereiden'. Met name op de jongere romantici, de kring die zich in Jena had verzameld rond de gebroeders Schlegel, maakten zij met zulke ideeën diepe indruk, wat niet verhinderde dat de persoonlijke verhoudingen weldra ernstig verstoord zouden raken.

Friedrich Schlegel bekritiseerde enkele nummers van Die Horen wat al te hardhandig naar Schillers zin; hijzelf en Goethe, toch al niet gecharmeerd van de anti-klassieke poëticale vrijmoedigheid van de romantici, dreven de spot met de Schlegels (en met vele anderen in de Duitse culturele wereld) in hun Xenia, satirische tweeregelige versjes, die zij in 1797 publiceerden in Schillers jaarlijkse Musenalmanach.

Nadien werkten de beide vrienden ook nog samen in Goethes tijdschrift Die Propyläen. Maar, afgezien van de ergernis die de Xenia her en der opriepen, de respons viel telkens tegen: de lezers lieten het afweten. Vandaar ongetwijfeld de toenemende afkeer van het publiek, die in de correspondentie valt te beluisteren. `De enige verhouding tot het publiek is die van oorlog', verklaart Schiller zelfs categorisch in 1799, om iets gematigder te vervolgen: `Men moet de Duitsers de waarheid zo ongezouten mogelijk in hun gezicht zeggen'.

Tegenover de agressie naar buiten staat de intimiteit naar binnen, en hoe aardig al het gefoeter ook wegleest – daaraan ontlenen deze brieven hun grootste aantrekkelijkheid. De lezer wordt als het ware deelgenoot van het continue gesprek dat Goethe en Schiller op papier hebben gevoerd. Fascinerend is vooral de actieve bemoeienis met elkaars werk. Zo schrijft Schiller aan de vooravond van een ontmoeting: `Wij zullen alles weer eens goed overhoop halen. U brengt uw breikous, de roman, toch wel mee?' De roman in kwestie was Wilhelm Meisters Lehrjahre, die in diverse brieven door Schiller uitvoerig, met kritische bewondering, wordt becommentarieerd. Op vergelijkbare manier zou Goethe zich een paar jaar later onder meer met Schillers tragedie Wallenstein bemoeien.

Aan beide zijden is de dankbaarheid groot. Schiller heeft het idee dat hij zichzelf, dankzij de relatie met Goethe, heeft `overtroffen'; de tien jaar oudere Goethe spreekt van een `tweede jeugd' – Schiller had hem `weer tot dichter gemaakt, wat ik nauwelijks meer was'. `Sympoesie' of `Symphilosophie', noemden de romantici in Jena zoiets, een vorm van coöperatie waarbij de deelnemers elkaar zo goed mogelijk aanvulden.

Oudheid

Bij Goethe en Schiller was dat letterlijk het geval, want de `kloof' tussen beider denkwijzen mocht dan steeds kleiner zijn geworden, de verschillen in aanleg en geaardheid waren niet verdwenen. Tegenover Schillers filosofische, speculatieve inslag stond Goethes intuïtieve genie, dat Schiller vol affectie met het antieke Griekenland associeerde: `Wat ontroert mij het besef, dat hetgeen wij anders in het verre verschiet van een bevoordeelde Oudheid zoeken en nauwelijks vinden, in u zo nabij is'.

Griekenland werd in deze jaren ook zíjn ideaal (tijdens zijn Italiaanse reis was het al dat van Goethe geworden), zoals blijkt uit het schitterende gedicht `Die Götter Griechenlandes' (1788), een evocatie van het voorbije esthetische paradijs, dat in de moderne tijd alleen in de poëzie nog voortleefde, maar dat misschien kon worden hersteld in kleine, besloten kring. Bijvoorbeeld in het verbond tussen Goethe en Schiller, waar ook vrienden als Körner, Meyer en Wilhelm von Humboldt bij betrokken waren, zij het op afstand, en waar een beschermeling van Schiller als de jonge Hölderlin als passant even aan mocht raken.

Deze correspondentie legt er getuigenis van af, al gaat het tegelijkertijd om een echte briefwisseling waarin ook plaats is voor minder verheven kwesties, zoals de `filosofenclub' die Schiller in Jena heeft samen met Niethammer en Schelling, maar waar `tot schande van de filosofie' enkel kaart wordt gespeeld, of het oordeel van de beide vrienden over madame de Staël, die zij eerst alleen via haar geschriften en daarna ook in levenden lijve leren kennen. Ze vinden haar verstoken van ieder gevoel voor filosofie en poëzie, maar aan `helderheid, beslistheid en spirituele levendigheid' ontbreekt het haar niet; `het enige lastige is haar volstrekt buitengewone spreekvaardigheid, om haar te kunnen volgen moet men zich geheel veranderen in een gehoororgaan', schrijft Schiller aan Goethe, die het er met zijn degelijker kennis van het Frans misschien beter vanaf zal brengen.

De meeste brieven stammen, om voor de hand liggende reden, uit de jaren dat Schiller in Jena woonde. In 1799 verhuisde hij met zijn gezin naar Weimar, waar hij nog een kleine zes jaar in Goethes nabijheid verkeerde. In 1805 overleed hij aan de ziekte (vermoedelijk chronische buikvliesontsteking) die hem al jaren had geteisterd, zijn vriend in ontreddering achterlatend. Goethe bekende met de dood van Schiller niet alleen een vriend, maar ook de `helft' van zichzelf te hebben verloren.

Jaren later toonde hij aan Eckermann en een metgezel de laatste brief (helaas niet in de vertaalde selectie opgenomen) die hij, twee weken voor diens dood, van Schiller had ontvangen – het `heiligdom onder mijn schatten', zou Goethe gezegd hebben. En Eckermann vervolgt: `Wij bekeken de brief om beurten en genoten zowel van de heldere expressie als van het mooie handschrift, en Goethe wijdde menig woord van liefdevolle herinnering aan zijn vriend, tot het laat geworden was, tegen elven, en wij vertrokken'.

Goethe-Schiller: Briefwisseling. Geselecteerd, vertaald, geannoteerd en van een inleiding voorzien door Aart J. Leemhuis. Damon. 509 blz. €34,–