Water voor de wereld

Op de VN-top deze week heeft Nederland beloofd in de komende tien jaar vijftig miljoen armen van schoon water en sanitair te voorzien. Het Waterfonds Indonesië biedt daarvoor niet alleen praktische expertise, maar ook een financieringsmodel.

Twee op de vijf mensen in de wereld hebben geen toegang tot zelfs maar een poepdoos, laat staan tot een watergespoeld toilet, zoals wij dat kennen. Ze doen hun behoefte op straat of in het open veld. Eén op de vijf mensen, bij elkaar ruimschoots meer dan één miljard, beschikt niet over veilig drinkwater. Er is wel water, een beekje of een bron, maar dat is vaak ernstig verontreinigd, niet in de laatste plaats door het ontbreken van toiletten of latrines. Flessenwater is vrijwel overal te koop, maar dan moet je wel geld hebben. Als je minder dan één dollar per dag verdient is twintig cent voor een liter water wel erg veel. Jaarlijks sterven ruim twee miljoen mensen, van wie de helft kinderen, door het ontbreken van voldoende en schoon drinkwater en elementaire sanitaire voorzieningen.

Op de top van de Verenigde Naties deze week in New York is veel gepraat over de Millenniumdoelen, wereldomspannende goede voornemens die in het jaar 2015 moeten zijn gerealiseerd. Een daarvan is een sterk verbeterde drinkwatervoorziening. Agnes van Ardenne, CDA-minister van ontwikkelingssamenwerking, heeft beloofd dat Nederland als bijdrage aan de millenniumdoelen vijftig miljoen mensen aan betaalbaar drinkwater gaat helpen.

In de loop der jaren zijn er vele pogingen ondernomen om de armen van de wereld van schoon drinkwater te voorzien. Klassiek is het beeld van de ontwikkelingswerker die samen met de lokale bevolking een waterput slaat en vervolgens opgewekt huiswaarts keert in de veronderstelling dat ze nog lang en gelukkig zullen leven. In de praktijk komt daar vaak bitter weinig van terecht: de pomp raakt na enige tijd in het ongerede, de brandstof is op, de lokale bevolking krijgt ruzie over het beheer van de put.

Ook op grotere schaal zijn er mislukkingen te melden. De Verenigde Naties hebben de jaren tachtig uitgeroepen tot `Water and Sanitation Decade': vóór 1990 moest de hele wereldbevolking van schoon drinkwater en adequaat sanitair zijn voorzien. Na het mislukken van dit initiatief gokten de internationale instellingen, zoals Wereldbank en Internationaal Monetair Fonds op het particulier initiatief, en dan vooral wereldwijd opererende waterbedrijven als Ondeo (oorspronkelijk Suez Lyonnais des Eaux), RWE Thames (een fusieproduct van het Duitse RWE en het Britse Thames Water) en het Amerikaanse Bechtel.

Deze particuliere ondernemingen verwierven concessies voor de productie en vaak ook de distributie van drinkwater in de grote steden in de Derde Wereld, zoals Buenos Aires of Djakarta. Om de vaak slecht onderhouden fabrieken en leidingen op te kalefateren, moesten ze echter de prijs van water flink verhogen. Dat leidde in een aantal gevallen tot felle protesten van de bevolking. Zo woedde er in 2000 maandenlang een volksoproer in Cochabamba in Bolivia toen een consortium onder leiding van het Amerikaanse Bechtel de tarieven met gemiddeld 35 procent verhoogden.

In haar streven om de komende tien jaar vijftig miljoen mensen van schoon drinkwater te voorzien probeert minister Van Ardenne deze valkuilen te ontlopen door in te zetten op publiek-private samenwerking. Een tamelijk unieke aanpak, waarbij een centrale rol is weggelegd voor de Nederlandse drinkwaterbedrijven. De vraag in hoeverre de drinkwaterbedrijven `privaat' zijn, is een punt van discussie: de aandelen ervan zijn volledig in handen van gemeentelijke en provinciale overheden.

Een voorbeeld van de samenwerking die haar voor ogen staat, zijn de plannen met de drinkwatervoorziening in de Indonesische stad Pekanbaru (zie kader). Doel van het project is om binnen nu en vijf jaar het aantal inwoners dat is aangesloten op de waterleiding te verhogen van 120.000 tot 400.000. Anders gezegd: om een stad als Utrecht van water te voorzien.

Het project is in gang gezet door het Waterfonds Indonesië, een besloten vennootschap met vijf Nederlandse waterbedrijven (PWN, DZH, Brabant Water, WMD en WRK) als aandeelhouder. Het fonds is eigenlijk een formalisering van de al decennia bestaande samenwerking tussen Nederlandse en Indonesische waterbedrijven. Die bestaat eruit dat medewerkers van Nederlandse bedrijven voor een paar weken worden uitgeleend om de Indonesische bedrijven te helpen bij het oplossen van technische problemen. Omgekeerd komen medewerkers uit Indonesië regelmatig naar Nederland voor een stage of cursus.

Collegiale ondersteuning bleek steeds vaker tekort te schieten, omdat drinkwatervoorziening in ontwikkelingslanden niet alleen een technisch probleem is, maar veel vaker nog een financieringsprobleem. ,,Het is voor publieke waterbedrijven in ontwikkelingslanden bijzonder moeilijk om geld aan te trekken voor investeringen'', zegt Bert Jansen, directeur van Aquanet, een wateradviesbureau dat actief is in ontwikkelingslanden en in Midden- en Oost-Europa. ,,Dat geldt ook voor de waterbedrijven in Indonesië, die veelal in handen zijn van lokale overheden.''

Het WFI speelt daarop in door niet alleen expertise ter beschikking te stellen, maar ook investeringskapitaal. Met het lokale waterbedrijf wordt een joint venture opgericht, die zorgt voor het opknappen en uitbreiden van de installaties en de financiering regelt. Voor een deel gaat het daarbij om kapitaal dat de Nederlandse waterleidingbedrijven ter beschikking hebben gesteld, en voor een deel om subsidies van de Nederlandse overheid. Zo heeft Ontwikkelingssamenwerking vijf van de benodigde tien miljoen euro ter beschikking gesteld.

Meer nog dan in de techniek zit de vernieuwing in het financieringsmodel. De installaties worden tien of vijftien jaar lang door de joint venture geëxploiteerd. Het publieke waterbedrijf betaalt de joint venture voor het afgenomen water, onderhoudt het contact met de klanten en int de rekeningen. Het geld dat de joint venture verdient met de verkoop van water vloeit voor een deel weer terug naar het WFI, zodat een roterend fonds ontstaat, waaruit steeds weer nieuwe investeringen gefinancierd kunnen worden. Sinds de oprichting heeft het WFI 60.000 aansluitingen op het waterleidingnet gerealiseerd, verdeeld over zes steden op Java en Sumatra, waarmee ongeveer 350.000 mensen van schoon water worden voorzien.

Dankzij de subsidies en dankzij het feit dat het Waterfonds Indonesië tevreden is met een bescheiden rendement van zes à zeven procent op het geïnvesteerd vermogen, blijft de kubieke meterprijs bescheiden. ,,De lokale overheid heeft de tarieven voor de consument vastgesteld op 2000 roepie per kubieke meter, ofwel 20 eurocent'', zegt Jansen. ,,Ter vergelijking: in Nederland betalen we circa anderhalve euro per kubieke meter. Ongeveer de helft daarvan is bestemd voor de productie van drinkwater, voor de joint venture dus. De andere helft moet voldoende zijn om de kosten van exploitatie van het publieke waterbedrijf te dekken.''

Via het roterend fonds, aangevuld met overheidssubsidies, hoopt het WFI binnen tien jaar twee miljoen mensen in Indonesië van betrouwbaar drinkwater te voorzien. Ook andere landen tonen belangstelling voor deze vorm van publiek-private samenwerking. Vietnam bijvoorbeeld wil graag een waterfonds om twee zuiveringsinstallaties te bouwen in de provincie Dong Tap. Verschillende Afrikaanse landen, waaronder Rwanda en het door ernstige droogte getroffen Niger, willen eveneens op deze manier hun steden van drinkwater voorzien.

Waterbedrijf Vitens (geen partner in het Waterfonds Indonesië) heeft inmiddels een vergelijkbaar project op touw gezet in Mozambique. Daar worden, met één miljoen subsidie van Buitenlandse Zaken en een lening van 35 miljoen van de Afrikaanse Ontwikkelingsbank, de waterleidingbedrijven in vier steden die vijf jaar geleden door overstromingen zijn getroffen, gerenoveerd en uitgebreid. Anders dan bij het Waterfonds Indonesië kunnen de klanten van waterbedrijf Vitens een vrijwillige bijdrage leveren aan het project via de stichting `Water for Life'.

De verschillende waterfondsen zijn ondergebracht in de Stichting Waterfonds Holland. De stichting verwacht via roterende investeringsfondsen in totaal zo'n tien miljoen mensen binnen nu en 2015 van schoon drinkwater te voorzien. Dat is een vijfde van het aantal van vijftig miljoen dat Van Ardenne heeft genoemd in de Algemene Vergadering van de VN. Hoe Nederland de resterende veertig miljoen mensen van schoon drinkwater wil voorzien, is nog niet helemaal duidelijk. Terwijl zij haar toespraak hield in New York zaten haar medewerkers in Nederland daar nog op te puzzelen.

    • Joost van Kasteren