Vreemde aan de poort

Samen met drie andere Nederlandstalige kunstenaars trad dichter Ramsey Nasr op in Indonesië. Een land van horen zeggen werd werkelijkheid. Nasr stond verbaasd over de rijkdom aan culturele identiteiten.

Mapping, dat is een uitvinding van de Hollanders.''

Goenawan Mohamed staat tussen twee metershoge landkaarten van Indonesië in. De ene is opgedeeld naar taal, de ander naar etniciteit. Een lappendeken van kleuren, letters en cijfers. ,,Maar het klopt niet. Kijk.'' Het broze mannetje met grijze sik wijst naar zijn geboortestreek in Centraal-Java. ,,Deze kleur vormt één gebied. Maar de mensen híer – binnen datzelfde kleurtje – kan ik niet verstaan, en de mensen híer ook al niet.''

Tja. Het is inderdaad onmogelijk álle 500 talen en dialecten op deze gigantische kaart te onderscheiden. Maar het is toch een poging.

,,En deze `etnische' kaart klopt al helemaal niet! De term is onjuist. Het zijn niet altijd afgebakende volksgroepen. Verschillende gemeenschappen breken over de grenzen van district en taal heen. Ze vervloeien.''

De iele Goenawan wordt wel de grootste intellectueel van Indonesië genoemd. Hij is dichter, essayist en oprichter van het legendarische tijdschrijft Tempo, dat onder Suharto werd verboden en na diens aftreden heropgericht. Goenawans vader werd verbannen en vermoord door de Hollanders wegens diens streven naar onafhankelijkheid; Goenawan zelf zat geregeld gevangen wegens zijn streven naar onafhankelijk denken. Hier staat hij nu, klem tussen landkaarten in het Museum Nasional van Jakarta.

,,De Indonesische verscheidenheid is een hel voor administrateurs'', besluit hij. Ik maak er een aantekening van.

Al dagenlang tracht ik de onmetelijke getallen te bevatten: 500 talen, 17.000 eilanden, 220 miljoen inwoners. Op de plattegronden zie ik een overvolle reis van twee weken verkruimelen tot twee stippen, West-Java en Zuid-Sumatra. Of nou ja, drie puntjes op twee stippen: Jakarta, Bandung en Lampung.

Ben ik wel in Indonesië geweest?

Voor mij was dit altijd een fictief land, met Saïdjahs en Adinda's, Peter Faber als Max Havelaar, met vergeelde foto's van E. du Perron. Een soort stille kracht: niet echt. Het land was een decor geweest voor literatuur waarin romanpersonages voor eeuwig rondscharrelen over theeplantages. Ook tijdens geschiedenislessen was het een symbool gebleven, voor ons kolonialisme, voorbije tijd, een zwart hoofdstuk desnoods – maar er was iets mee gedáán. Het was gesublimeerd en tijdloos gemaakt.

Hier, op deze literaire tournee georganiseerd door Festival Winternachten, betreed ik dat decor. Het blijkt te leven.

De reis begon in Bandung: Hollands Parijs van het Oosten, tevens hoofdkwartier van het koloniale leger. Rijdend door de straten doemen intacte wijken van Berlage en andere meesterarchitecten op. Het is alsof we door postkaarten rijden. Tijdens de crisis thuis bouwde men in Indonesië vrolijk door. Wanneer we voor het statige Gedung Sate stoppen, de oude bestuurszetel van Bandung, ben ik plots ontroerd. Het is net echt, ik zie alle romanpersonages voor me. Onze Indonesische gids vertelt hoe zijn voorouders deze tuin moesten onderhouden voor de kolonialen.

Begrijpt deze jongen mijn nostalgie?

Want dat is het. Ik sta voor een relikwie. De jongen, die studeert voor kunstschilder, zegt geen binding te hebben met dit koloniaal verleden; hij heeft erover geleerd op school, maar zíjn geschiedenis is het niet. Hij wil verder, een eigen geschiedenis beginnen. En ik, starend naar het Gedung Sate, ik wil terug. Ik kan voor het eerst mijn geschiedenis vastpakken. Dit macabere paleis behelst voor ons beiden een stuk van onszelf dat het onze niet is – maar zeker niet dat van de ander.

Ook Hotel Savoy Homann blijkt echt. Ooit het meest prestigieuze hotel van koloniaal Bandung, blijft het een modern-architectonisch wonder. We gaan iets drinken in de Batavia Lounge, maar bekijken eerst het hotel zelf, het mooiste art déco-interieur dat ik ooit zag. Wanneer we betalen voor de vruchtendrankjes, de gin tonics en de snacks voor zes personen, zegt de jonge gids verlegen dat hij nog nooit zoveel geld bij elkaar heeft gezien.

Bandung maakt kolonialisme tastbaar. Wat ik ook gelezen had over onze schanddaden en plunderingen, het zei me niets tot ik hier kwam. Niet dat ik opeens vreselijke verhalen over Holland hoor; integendeel, die kende ik nu juist al. Het is door de geschiedenis te zien stilstaan, flonkerend in architectonische schoonheid. En ook door de samenstelling van ons schrijversgezelschap: Frank Martinus Arion (Curaçao), Ellen Ombre (Suriname), Antjie Krog (Zuid-Afrika).

Voor wie geen Surinaamse, Antilliaanse, Indonesische of Zuid-Afrikaanse vrienden heeft, staat een slavernijmonument ver van het bed. Nu pas werd ik direct geconfronteerd met de werkelijkheid van apartheid, van een revolutie in Willemstad, of de wens te weten uit welk Afrikaans land je slavenvoorouders afkomstig zijn. Ik vond slavernij en kolonialisme vreselijk – maar wie vindt dat niet. Ook engagement kan gratuit zijn.

Antjie, Ellen, Frank en ik, vier landen aan één Hollandse tafel. En uitgerekend de Palestijn wordt nostalgisch in Indonesië. Briesend als iemand weer eens de Israëlische bezetting vergoelijkt – en hier sta ik zelf met koloniale tranen in de ogen, als een Zeeuws meisje.

Pas als ik in de hotellobby zie hoe mijn pisang goreng is toegetakeld – er ligt kaas èn hagelslag op – begin ik te twijfelen of hier werkelijk iets grootsch werd verricht.

Die avond leest Eka Kurniawan een hilarisch kort verhaal voor over een Indonesische kokkin die op een koloniaal banket langzaam alle aanwezige Hollanders vergiftigt. Iedereen giert het uit van de pret. Als de jonge schrijver wordt gevraagd of het echt of níet echt gebeurd is, antwoordt hij droog dat het een kort verhaal is.

Toch zou het mooi zijn als jullie ons vergiftigd hadden, denk ik. Deze reis word ik geplaagd door gevoelens die afwisselend een sentimenteel of landverrader van mij maken.

Waarom hebben jullie deze gebouwen in Bandung, deze symbolen nooit platgebrand? Ik vroeg het meerdere mensen. ,,Omdat het mooie gebouwen zijn'', was steevast het verbaasde antwoord. Ze vonden het een domme vraag. Een kort verhaal.

Op 28 augustus vertrekken we naar Sumatra: een adembenemend mooie reis door oerwoudlandschappen. In een wegrestaurant leer ik en passant mijn grenzen kennen: we eten brein, milt, staart, hoef en knapperige stukjes long.

Het mondaine Bandung ligt achter ons. Bij aankomst op het Lampungees theaterterrein loopt een haag van zingende trommelaars aan weerszijden met ons mee. Soms houden we halt omdat aan kop twee purpergeklede mannen met zwaarden een rituele dans voor ons uitvoeren. Eenmaal bij de ingang gooien ze hun zwaarden weg, in slow motion gaan ze op de vuist, om elkaar ten slotte een hand te geven. Welkom in Lampung.

Later hoor ik dat hun laatstgezongen lied een strijdlied is uit de tijd van Mohammed. Wat een fantastische jihad.

De presentatrice deze avond is een kittig meisje, denkt ze. Haar inleiding (,,Ok, everybody, and now let's have fun with literature!'') krijgt de sfeer gelukkig niet kapot. Maar we moeten meedoen: 'I can't hear you...!'

In Bandung hadden we ook al zo'n MC, zoals ze zich noemen. Met vlot Amerikaans accent imiteren ze de Indonesische MTV-meisjes die ik hier op de buis zie. ,,Ok, and now we've got a traditional Lampung singer, she's 82 years old, so let's give Ibu Masnuna a big hand!''

De Indonesische schrijvers en dichters die met ons optreden, zijn soms lokale, soms nationale helden. Veel schrijvers zijn gek op performen. Sommigen komen halfnaakt op; velen declameren op denderende toon; en de meesten zijn gek op het afwisselen van microfoons. Hoe meer micro's hoe beter. Ze hebben panache en soms is het erg indrukwekkend. Daartegenover staan dan weer schrijvers die volstrekt ingetogen voordragen, zonder show. Alle aandacht gaat naar hun tekst.

Deze extremen verwonderen me. Dus gaat de Hollander vragen welke van beide nu echt, typisch Indonesisch is. Nirwan Dewanto, literair criticus en mede-organisator van onze tournee, zegt tot mijn schrik dat er deze avond helaas veel imitatie bij zat. Hij doelt niet op de MC.

Allereerst blijken velen de legendarische acteur en dichter W.S. Rendra na te doen. Rendra heeft in de jaren zestig de poetry readings geïntroduceerd in Indonesië. Dat was een totaal nieuw fenomeen en helaas voor zijn nakomers zette hij zelf meteen de standaard. Met zijn techniek krijgt hij zijn verzen krachtig en exuberant over het voetlicht. Hij wordt `de pauw' genoemd.

Waar Rendra's impact vooral de voordracht gold, werd de inhoud van de moderne literatuur hogelijk gevormd door de even legendarische Goenawan Mohamed. Goenawan performt nooit. Samen gaven ze de literatuur een nieuwe impuls.

,,Sommige schrijvers'', aldus Nirwan, ,,missen die samenhang en zeggingskracht van hun idolen.'' Het verontrust me dat ik, met mijn Engelse vertalingen, kopie niet van origineel kan onderscheiden. Ik heb nog een week om de volledige Indonesische literatuur te bevatten. Dat is niet veel – en ik moet ook nog de volksziel doorgronden.

Aldus in gedachten loop ik na afloop richting uitgang, waar in een hoek alweer een halfblote performer met verf klaarstaat om te beginnen. Niemand ziet hem. Ik ook niet, ik kijk hoe Lampungese gastheren zo snel mogelijk alle westerse deelnemers een fles Bintang-bier in handen drukken. Ik voel me lichtelijk beledigd door dit vooroordeel. Alsof alle westerlingen bier drinken.

Iemand spreekt me vriendelijk aan. Ha, lekker: bier.

De Lampungese ontvangst is een droom. Overal staan hapjes, drankjes, fakkels; er is een muziekgroep; en iedereen moet dansen. Ik sta versteld van de bijna Latijns-Amerikaanse zwoelheid waarmee hier gedanst wordt; jongens en meisjes staan met hun heupen om je heen te draaien, hier en daar wordt `I-love-you' in je oor gefluisterd. Geef echter in je onschuld geen kus op een wang bij het afscheid. Dan staan ze verbijsterd.

Ik snap niks van alle inconsistenties en tegenstrijdigheden. Je hebt hier christenen die in één god èn in boomgeesten geloven. Je hebt moslims met hindoe-namen. En je hebt de jonge schrijfster Dinar Rahayu, die vanavond een fragment uit haar roman voorlas. Dinar is een kleine, nogal mollige moslima, stevig ingepakt in hoofddoek en seksloze kledij. Ze schrijft over sadomasochisme en transseksualiteit. Ik kijk naar dit geestige dikkerdje met scheikundegraad, ik denk aan SM en ik denk aan de koran. Ik snap er niks van. Ook niet van vertaalster Wikan, die Dinars zus zou kunnen zijn. Wikan vertelde aan Frank Martinus Arion dat ze een strikte moslima is. Nee, ze drinkt geen bier, maar wil het wel voor ons inschenken. En ja, ze gelooft dat álle goede mensen, van welke religie dan ook, naar de hemel gaan. Lekker strikt is dat. Frank noemt Wikan met affectie `fundamenteel tolerant'.

Ik ben permanent verbijsterd. In dit land, met zijn onbekende geuren, zijn bizarre vruchten en drankjes, zijn ook de mensen constant anders dan verwacht, onvoorspelbaar; achter alles schuilt meer. Ik begin er meer en meer van te houden. Wie aan Javaanse dansers denkt, bijna onaantastbaar als de goden, schrikt zich een aap bij de Lampungese dansen van deze jongeren. Iemand vertelt me dat dit traditionele uitingen waren die onder Suharto stevig onderdrukt werden. Deze post-Suharto-generatie gaat weer op zoek naar haar wortels – en pikt eruit wat ze kan gebruiken.

Zo ook in de literatuur. Die is speels, eclectisch, niet bezwaard door repressie of postkoloniale affecten. De dichter Tan Lioe Ie bijvoorbeeld komt van Bali, maar heeft Chinese voorouders. Zijn gedichten bevatten bijbelse elementen, Chinese mythen en hindoetradities. Hij zoekt zichzelf op, ergens te midden van voorouders. Verscheurd of niet, zijn optreden in Lampung trof me als oprecht en authentiek. Het was op deze avond, gezeten tussen schrijvers uit Indonesië, Curaçao, Suriname en Zuid-Afrika, dat ik me afvroeg waar het hart zich moet bevinden zodra men meerdere loyaliteiten bezit.

Hoe zuiver kan een mens zijn? En wat heeft dat met waarachtigheid, met echtheid te maken?

In het museum, de volgende dag, sta ik naast Dinar, de SM-moslima. We kijken naar een oud sjamanistisch beeld van een enorme penis. ,,Ah, it's good to see we're normal people too'', zegt ze. Er staan nog andere beelden, boeddhistisch, hindoeïstisch. Ik vraag me hardop af of het originelen zijn. Er wordt een suppooste bijgehaald. Nee, dit hier is een imitatie. Dat beeld is echt, en die is ook nep. Dinar en onze Lampungese begeleiders kijken ervan op, enigszins ontgoocheld. De originelen staan in westerse musea. Of in Jakarta. Ik had misschien beter mijn mond gehouden.

,,Inderdaad'', zegt Frank als we terugvaren naar Java, ,,sommige dingen moet je denken, niet zeggen.'' Hij lacht. ,,Kwestie van beleefdheid.'' Wilma Scheffers, mede-organisator van Winternachten en zelf Indisch, staat erbij en knikt. Ze vertelt van een Nederlandse vriend op Java bij wie al acht jaar een Indonesische man inwoont. Het is overduidelijk een koppel, maar het wordt niet uitgesproken. Dat is geen kwestie van taboe: het kan gewoon. Deze man verkiest Indonesië boven Nederland, waar vrijheid vooral met de mond wordt beleden. Wilma's Indonesische moeder wilde vroeger liever niet horen of een `vriendje' nu echt Wilma's lief was of niet. Een antwoord op die vraag (ja/nee) zou iets wegnemen: de mogelijkheid van iets anders. Wie iets benoemt, fixeert het. Bovendien wordt hier, en op de Antillen, veel meer met blikken gezegd.

Is dat hypocriet: dingen verzwijgen, ze onderhuids houden? Bier inschenken als moslima? Het lijkt meer een geval van aanvoelen. Van fundamentele tolerantie.

Die wordt ernstig bedreigd, blijkt in Jakarta.

Teater Utan Kayu vormt als overkoepelend gastheer onze laatste halte. Het is deel van de Komunitas Utan Kayu, een organisatie opgericht door Goenawan Mohamed, met als doel vrijheid van denken en uitdrukking te waarborgen. Ook de Liberal Islam Network (JIL) is hier gehuisvest.

Onlangs, op 5 augustus, werd het aangevallen door de FPI, de Islam Defenders Front, een groep orthodoxe islamisten. Na het vrijdaggebed kwamen ze met tweehonderd militanten op motoren naar Utan Kayu gereden, in witte gewaden. De boel moest dicht of zou kort en klein worden geslagen. Waar de jihadisten van schrokken, was dat in no time driehonderd sympathisanten op de been waren om het domein te beschermen. Er was zelfs politie. Ze dropen af.

Maar ze komen terug. Ze zijn geïnfiltreerd in de buurtmoskeeën en verspreiden laster over Utan Kayu. Ze hebben het afgelopen jaar meer dan twintig kerken in West-Java afgesloten. Gefinancierd vanuit Saoedi-Arabië vulden hun gebedshuizen stilaan de steden en sinds Suharto's aftreden kwamen ze trots vanuit het ondergrondse de straat opgemarcheerd.

Hun aanhang is niet eens zo groot. Maar zolang de regering niet ingrijpt, doet intimidatie het werk. Deze mensen willen de boeddhistisch-hindoeïstische wajangpoppen waarmee elke Javaanse moslim opgroeit, verbieden als onislamitisch.

Teater Utan Kayu noemt zich dissident. In wezen is het dat niet. Zonder te ontkennen dat deze vertalers, critici, dichters en theatermakers de intellectuele bovenlaag vertegenwoordigen, vind ik in hen evenzeer de verscheidenheid van Indonesië terug. Ze staan er niet buiten of boven.

Geheel Indonesië wordt bedreigd. Aan de ene kant bungelt de westerse eenheidsworst, de monotone vervlakking van MTV. Aan de andere kant staan de islamisten klaar om het land voorgoed te zuiveren. De keus tussen eenduidigheid en enkelvoudigheid. En beide zijn imitaties van beelden.

,,We moeten aanvaarden en promoten dat we allemáál minderheden zijn'', zegt Goenawan tijdens een kop koffie op de binnenplaats. Aan onze tafel zitten twee jonge vrouwen, Sandra en Susi. Sandra spreekt met Amerikaans accent. Een weelderige bos haar valt over haar schouders, ze oogt zeer westers, bidt vijf keer per dag. Susi draagt beige kleding, een hijab, en doceert aan de State University van Jakarta. Zij benoemt eindelijk wat ik al dagen voel sluimeren: ,,Ik tracht mijn studenten bij te brengen dat je niet moet proberen je identiteit enkelvoudig te benoemen. Dat lukt je niet. Want als je moet kiezen, kies je dan voor religie, etnische afkomst, taal, politieke voorkeur, of woonplek? Jakarta zegt meer over mijn identiteit dan mijn islamitisch geloof. Wij hebben een meervoudige identiteit.''

Alles valt nu in elkaar. Terwijl Goenawan doorspreekt over Edward Saids `multiple narratives', over James Baldwins uitspraak dat `identity appears when the stranger enters the gate', luister ik niet echt meer. Die theorieën: ik bevind mij er middenin. En die vreemde aan de poort, dat zijn wijzelf.

Iemand gaat op zoek naar de kern van 220 miljoen inwoners, en vindt de versplintering van één mens.

`Eenheid in Verscheidenheid' is sinds de onafhankelijkheid het Indonesische motto. Suharto was gek op kalenders met stereotypes in lokale klederdracht. Hij liet een soort Madurodam op ware grootte bouwen, met alle soorten huizen der verschillende bevolkingsgroepen. Hij trachtte levende tradities met ijzeren hand te herleiden tot folklore. Souvenirs in eigen land.

Het doet me denken aan de Caraïbische carnavals, Turkse buikdanseressen, Marokkaanse muntthee, Kaapverdische koekjes en Indonesische saté, waar we in Nederland zo dol op waren. We wilden onze binnenkant opfleuren met wat couleur locale. Gegeneerd om ons saaie zelf waren we evenmin wezenlijk geïnteresseerd in die ander, alleen in dat beeld. In folklore. Fictie. Literatuur. En nu doemt de werkelijkheid op. Ze heeft de vorm van desintegratie.

We moeten niet langer op zoek gaan naar Eenheid in Verscheidenheid, maar naar die verscheidenheid per eenheid. De multi-identiteit.

Eindelijk begrijp ik het korte verhaal dat al dagen door mijn hoofd spookt: `Het verhaal dat niet eindigde in een fles'. In deze prachtige vertelling van G. Maryanto komt een man zichzelf, zijn dubbelganger, tegen. Als zijn vrouw hen beiden ziet staan, valt ze flauw.

Waarom? Niet omdat ze twee keer dezelfde man heeft – dat weet ze al sinds haar jeugd. Ze viel flauw omdat het niet de bedoeling was dat die twee elkaar ooit zouden ontmoeten. Ze wisten het niet van elkaar. En de vrouw wilde hen allebei. Sindsdien gaat het verhaal niet meer terug in de fles, aldus de verteller. Als hij namelijk accepteert dat zijn twee personages echt dezelfde zijn, moet de verteller ook aanvaarden dat het er eigenlijk drie zijn: want de man in het verhaal, dat was hijzelf.

En hoe meer hij tracht dit te verklaren, hoe meer personages zijn verhaal bevolken.

Zo gaat het alsmaar minder de fles in: de verteller is zelf het verhaal.

    • Ramsey Nasr