Verhalen van duizend en één vlucht

`Het leven als beambte is geen grapje. Stipte werktijden en in de hogere klassen komen zelfs overuren voor.' Aldus ambtenaar eerste klasse Dorknoper in het verhaal Heer Bommel en de Doorluchtigheid uit 1974. De schepping van de onlangs overleden Marten Toonder werd terecht als soortnaam opgenomen in de grote Van Dale – zij het zonder de briljante voorbeeldzin `Dorknoper liet intussen de papieren in een gleuf glijden die naar de ambtelijke molen voerde.' Als de beroemdste pennenlikker uit de Nederlandse literatuur ondervindt hij alleen concurrentie van de hoofdpersonen van de verhalen van A. Alberts (1911-1995), die zelf zijn leven lang als ambtenaar werkzaam was.

Na zijn pensionering schreef Alberts in 1986 Inleiding tot de kennis van de ambtenaar, en het is aan dat schijnbaar droge non-fictieboekje over de `vierde macht' dat de nieuwe roman van Nicolaas Matsier doet denken. Het achtenveertigste uur, de opvolger van de voor alle literaire prijzen genomineerde roman Gesloten huis (1994), beschrijft met ragfijne ironie het reilen en zeilen van de lange reeks ambtenaren die in actie komen wanneer een vreemdeling op Schiphol om asiel vraagt. Heel nauwgezet – van de `verklaring van onderzoek' door een grensbewaker van de marechaussee op 2 november 2002, tot het `uitreikingsblad' dat twee maanden later voor de vorm wordt opgesteld omdat de betreffende Soedanees MOB (`met onbekende bestemming vertrokken') is.

De titel van Matsiers roman is een verwijzing naar de nieuwe Vreemdelingenwet, die vereist dat iedereen in een aanmeldcentrum (AC) binnen 48 procesuren na aankomst in Nederland te horen krijgt of hij/zij naar een opvangcentrum (OC) mag om het antwoord op een asielaanvraag af te wachten. `Ik heb de achtenveertiguursprocedure niet verzonnen,' schrijft Matsier in zijn Verantwoording. `Ik heb de IND [Immigratie- en Naturalisatiedienst] niet verzonnen. Ik heb de vorm van de kruisjes- en andere formulieren en paperassen niet verzonnen. [...] Het achtenveertigste uur heeft profijt getrokken van zowel de vorm als van het soort inhoud die de IND-dossiers plegen te hebben.'

Wat de schrijver eraan toevoegt, en wat de documentaire tot een roman maakt, zijn de innerlijke monologen van de wachtmeesters, rapporteurs, advocaten en griffiers die zich met de zaak-Mohamad Hassan bezighouden. Brave lieden allemaal – `wij zijn de beroerdsten niet', zegt er één met een typisch handhaverscliché – al etaleren de meesten het doorgewinterde cynisme dat kennelijk met de baan verbonden is.

De ambtenaren in wier hoofd Matsier zich verplaatst, spreken met verschillende stemmen – de een wat overtuigender dan de ander. Zo opent de roman niet al te gelukkig met de popi-jopietaal van een marechaussee die de echtheid van de geboortebewijzen van de aangekomen `allo's van Allah' moet controleren. Waarna het dossier van Mohamad Hassan wordt bekeken door onder meer een begripvolle baliekluiver, een stijlvaste senior medewerker, een erudiete retoricus en een raadsman die even vechtlustig als zelfingenomen is. Maar op welk niveau de medewerkers van de IND en de rechtbank zich ook bevinden, ze hebben allemaal iets filosofisch. `Wat is nou een mens zonder grens?' stelt de eerste spreker. `Vroeg of laat wordt alles een bijlage', mijmert de volgende. `Wat zou het leven van een ambtenaar zijn zonder dubbele punt', zegt nummer zeven. En natuurlijk is er ook een die aankomt met de eeuwige vraag `Waar eindigt het pure feitenmateriaal precies en waar begint de interpretatie?' Een vraag die Matsier na aan het hart ligt, getuige het motto van Montaigne (`Nooit hebben twee mensen eender geoordeeld over dezelfde zaak') dat hij aan zijn roman laat voorafgaan.

`Een stelletje namaak-antropologen houdt een stelletje namaak-vluchtelingen tegen het licht', luidt het oordeel van een `nadere hoorder' over de situatie in het AC Schiphol. Deze Posthuma krijgt van Matsier de meeste tekst. Niet alleen omdat hij de gespletenheid van zijn werk – eerst het vluchtverhaal zo rond mogelijk krijgen, daarna de twijfels uitvergroten – mooi verwoordt. Ook niet omdat hij droogkomisch over de liefde voor zijn werk praat: `Het kan mij eigenlijk niet routineus genoeg zijn [...] Je stelt een vraag, waarop je zelf het antwoord al geeft. En daarna vergelijk je het gegeven antwoord met wat er al op papier staat – en ja, alweer goed.' Maar vooral omdat hij de verhalen van de asielzoekers – spottend de `verhalen van duizend en één vlucht' genoemd – beziet met het oog van de schrijver. Zo constateert hij dat sommige verhalen direct interesseren en ontroeren, waarschijnlijk omdat ze je voorstellingsvermogen aan het werk zetten. En hij deelt de verhalen in drie categorieën in: `Verhalen waartegen je volmondig ja zegt. Verhalen waartegen je hartgrondig nee zegt. En grijze verhalen. Draderige verhalen. Verhalen die zelf niet goed weten waar ze over gaan.'

Ook een van Posthuma's opvolgers trekt onbewust een parallel tussen asielverhalen en literatuur. Zich buigend over de beschikking inzake Hassan peinst ze over gradaties van geloofwaardigheid. `Soms capituleer je. Dan geef je je gewonnen aan het verhaal – zonder de verteller ook maar een ogenblik te geloven.' Net als bij goede fictie, denkt de lezer.

Matsier schept er overduidelijk genoegen in om zijn prozaïsche personages dit soort dingen te laten zeggen, al was het alleen maar om de lezer eraan te herinneren dat hij zijn carrière meer dan een kwarteeuw geleden begon met verhalen (`Heimwee naar het heden', De eeuwige stad) waarin bespiegelingen over de schrijver en zijn verhaal een belangrijke rol spelen. Toch wil hij met zijn tweede roman in de eerste plaats de gecontroleerde gekte van de asielprocedure laten zien – het onderlinge en vaak oppervlakkige ritueel van al dan niet fabulerende asielzoekers, gelaten beambtes en advocaten die zich alleen inspannen als ze een mooie kans zien om hun eigen kunnen te demonstreren. Het achtenveertigste uur is een didactische, leerzame roman die niet veroordeelt, maar in afwisselend formele en vlotte taal de andere kant van de bureaucratie toont – alsof Het proces van Kafka herschreven wordt vanuit het perspectief van de ambtenaren en juristen die door Josef K. benaderd worden.

De geciteerde kruisjesformulieren, de juridische haarkloverijen en het typische IND-jargon maken Het achtenveertigste uur niet tot een boek waarvan lezers zullen zeggen dat je het in één ruk uitleest. Het is, om de ambtenaar eerste klasse Posthuma te citeren, een verhaal waartegen je nóch volmondig ja nóch hartgrondig nee zegt. Maar het is ook allesbehalve een `grijs verhaal': Matsier wist heel goed waarover het ging, en hij heeft het met bewonderenswaardige strakheid en stilistische souplesse vormgegeven. Misschien moeten we Posthuma's classificatie met een vierde soort verhalen uitbreiden: verhalen die niet bepaald meeslepen of ontroeren, maar waaraan je je niettemin gewonnen geeft.

Nicolaas Matsier: Het achtenveertigste uur. De Bezige Bij, 270 blz. €23,50

    • Pieter Steinz