Te chique voor politiek

De afkeer van Du Perron voor engagement is typerend voor veel Nederlandse schrijvers. De Leesclub discussieert deze week over het politieke debat in `Het land van herkomst'.

De manier waarop Du Perron in Het land van herkomst omgaat met vragen van de politieke actualiteit, die hem tegenstaan en die hem blijkbaar ook niet erg interesseren, doet een beetje denken aan de manier waarop hedendaagse Nederlandse schrijvers bijvoorbeeld worstelden met de vraag of ze nu voor of tegen de Irak-oorlog moesten zijn. In tijden van conflict of crisis ziet de doorsnee Nederlandse romancier zich gedwongen tot een engagement dat hij het liefste zou vermijden. Wat dat betreft is Het land van herkomst een oer-Hollands boek.

Op het eerste gezicht lijkt Du Perrons engagement inderdaad de nodige literaire beroepsdeformatie te verraden. Hij beschrijft belangrijke politieke gebeurtenissen als literaire ficties: de relletjes die hij in Parijs meemaakt beschrijft hij afstandelijk als een politieroman of als een komedie. De opkomst van het nazisme in naburig Duitsland typeert hij zelfs als een `keukenmeidenroman' (blz. 286). Maar Du Perron deelt nadrukkelijk niet de vandaag de dag wijdverbreide opvatting dat de roman (en algemener de kunst) zich niet te veel met politiek moet inlaten, op straffe van te vervallen tot propaganda. Zijn kunstopvatting verheerlijkt de vent, de persoonlijkheid, niet de vorm; het idee van l'art pour l'art en van de literatuur als een quasi-religieuze, onschendbare sfeer waarin alles gezegd en geschreven mag worden, is hem ten enenmale vreemd. Du Perron ziet zijn roman niet, zoals Flaubert deed, als een autonoom kunstwerk dat wordt gedragen door de kracht van zijn vorm en stijl. Hij wekt bijvoorbeeld nauwelijks de schijn dat Héverlé (Malraux) en Wijdenes (Ter Braak) fictieve personages zijn. Ook wordt het boek niet voortgestuwd door plot, karakterontwikkeling of een omvattend thema. Dat maakt het met zijn 437 bladzijden bij tijd en wijle wel wat lang.

De Indische passages van het boek zijn eerlijk in hun zelfkritiek, en opvallend weinig sentimenteel. Du Perron verzet zich tegen elke vorm van exotisme en dweepzucht. Hij gelooft ook niet in het `spreekwoordelijke mysterie van de inlander' (p. 172); zijn Indië is, zelfs in de vroegste jeugdherinneringen, volstrekt onttoverd: het wordt niet beheerst door magische of mysterieuze krachten, of door ongrijpbare klanken en karakters, maar door alledaagse conflicten over land en geld, door diefstal en zelfs door roofmoord.

Als het gaat over de politieke actualiteit van de jaren dertig, voegt Malraux/Héverlé hem toe dat je niet `buiten deze conflicten kunt leven' (p. 431). En inderdaad dwingen de dramatische ontwikkelingen en het straatrumoer van het interbellum Du Perron tot een politieke stellingname, zo niet tot een persoonlijk engagement; maar waaruit bestaan die? Du Perron verraadt een stille bewondering voor Malraux' politieke engagement en Ter Braaks intellectuele brille; maar hij weet dat beider posities niet voor hem zijn. Hij noemt zichzelf een `hopeloze dilettant' (p. 493) en een `abjecte intellectueel'(p. 430), die zich afzijdig houdt zolang het nog kan. Zijn afwijzing van elk collectivisme, ongeacht of dat nu van nazi's, van communisten of van christelijke kerken is, mag achteraf misschien de verstandigste optie lijken; maar het is de vraag of die in die tijd voor veel mensen reëel, laat staan gerechtvaardigd was. Elsbeth Ettty heeft daar in de Leesclub al eerder kritische vragen over opgeworpen.

Bovendien verraadt Du Perrons individualisme een diepere afkeer van alles wat burgerlijk en politiek is. Hij is duidelijk geen `politicus zonder partij' in de zin van Ter Braak; veeleer is hij apolitiek, of zelfs antipolitiek. Hij bepleit ook geen verdediging van de liberale (lees: burgerlijke) parlementaire democratie; integendeel, hij haat de beschermers van het burgerdom, zoals ambtenaren, advocaten, notarissen en politieagenten. Deze afkeer van de bourgeoisie wordt ingegeven door een Nietzscheaans geïnspireerd idee van een volstrekt vrije Übermensch. Notarissen beschouwt hij als een `minderwaardig mensensoort' (blz. 41). En herhaaldelijk schrijft Du Perron met enig genoegen over `bandieten' die burgermannen de hersens inslaan.

Het lijkt me niet te ver gezocht om deze afkeer van politiek en deze haat tegen de burgerij in verband te brengen met Du Perrons koloniale achtergrond. Ducroo wordt duidelijk gedreven door de angst, kenmerkend voor de koloniale elite, om te worden aangezien voor de burger die hij in werkelijkheid wel degelijk is. Ducroos vader lijkt zijn landgoed bij Brussel haast te kopen om zijn adeldom te bewijzen. Hij sterft, veelzeggend, in de illusie van Franse adel af te stammen. Ducroo zelf beschouwt het als een vernedering wanneer hij zich na de dood van zijn moeder met geldzaken bezig moet houden.

Ook zijn individualistische opvatting van vrijheid en afkeer van elke slavenmoraal zijn evenzeer koloniaal als Nietzscheaans van aard. Niet toevallig zegt hij: `[...] de Javaan is in dit opzicht geboren slaaf, net als de Duitser, hij voelt zich onbehaaglijk zonder tiran' (blz. 293). Nog meer dan in Du Perrons tijd is deze apolitieke, koloniale of adellijke, Übermensch vandaag de dag onmogelijk geworden, meer dan ooit ziet de schrijver zich tegenwoordig gedwongen met burgerlijke kwesties van geld en politiek bezig te zijn. Meer dan ooit wordt hij ook geconfronteerd met de postkoloniale onderklasse. Nu niet meer in een verre buitenpost van een koloniaal imperium, maar in de grote steden van het Westen zelf. Du Perron zou nu nog steeds met zijn handen in het haar hebben gezeten.

Dit is de laatste bijdrage over `Het land van herkomst'. Vanaf volgende week discussieert de Leesclub over `De tuinen van Bomarzo' van Hella Haasse.

    • Michiel Leezenberg