Second opinion in strafzaken

Vermeende misstanden in strafzaken moeten opnieuw worden onderzocht, zei Donner gisteren in de Tweede Kamer

De toezegging van minister Donner (Justitie, CDA) gisteren in het spoeddebat over de zaak-Nienke een commissie in te stellen die bij strafzaken vermeende misstanden onderzoekt, is een verruiming van de `second opinion'-mogelijkheid in opsporingsonderzoeken.

Het openbaar ministerie heeft sinds 2002 de mogelijkheid achteraf de gang van zaken in vastgelopen opsporingsonderzoeken die `de rechtsorde ernstig hebben geschokt', opnieuw te beoordelen. Dat is vastgelegd in de `Aanwijzing tweede beoordeling opsporingsonderzoek' die in maart 2002 in werking trad. Die aanwijzing geeft slachtoffers (of nabestaanden) van ernstige misdrijven de mogelijkheid, bij de hoofdofficier van justitie om zo'n tweede beoordeling te vragen. Dat mag alleen bij ernstige misdrijven waar meer dan 12 jaar gevangenisstraf voor staat. Daarnaast biedt die richtlijn een zaakofficier van justitie de mogelijkheid om een tweede beoordeling aan te vragen. Dat gebeurt dan door een beoordelingsteam dat niet betrokken was bij het opsporingsonderzoek.

De aanwijzing uit 2002 is bedoeld voor opsporingsonderzoeken die zijn vastgelopen. In de zaak-Nienke besloot de Rotterdamse hoofdofficier van justitie tot zo'n intern onderzoek toen eind 2004 duidelijk was dat de verkeerde verdachte veroordeeld was en er nieuw opsporingsonderzoek nodig was omdat er een nieuwe verdachte was. De evaluatie van Posthumus, waartoe het college van procureurs-generaal in december 2004 besloot, richtte zich niet alleen op het het verloop van het opsporingsonderzoek, maar ook op de vraag hoe dat onderzoek intern kwalitatief is verlopen.

Het college van procureurs-generaal gaf in haar opdrachtformulering al aan dat dit onderzoek zou kunnen leiden tot aanpassingen in de `Aanwijzing tweede beoordeling'. Daar gaf Donner gisteren de eerste voorzet voor. Dergelijk onderzoek kan in de toekomst niet alleen worden aangevraagd door leden van het openbaar ministerie, maar ook door agenten of wetenschappers die bij een opsporingsonderzoek betrokken zijn geweest. Het is niet de bedoeling dat burgers of advocaten dergelijke verzoeken straks kunnen doen.

Donner kondigde gisteren aan Posthumus en zijn staf te vragen om aan te blijven en beschikbaar te zijn voor klachten van agenten en wetenschappers. Zij hebben nu geen rechtstreekse toegang tot het rechtsproces. Klachten kunnen worden ingediend bij de minister zelf, het college van pg's of een van de parketten. De aanstelling van Posthumus moet voorkomen dat de klachten terecht komen bij functionarissen van het openbaar ministerie die in eerste instantie al betrokken waren bij het opsporingsonderzoek. Posthumus heeft overigens nog niet toegezegd dat hij daadwerkelijk beschikbaar is voor die functie.

Y. Buruma, hoogleraar strafrecht in Nijmegen, die als onafhankelijk onderzoeker in de commissie-Posthumus zat, geeft aan dat hij geen tijd heeft om op dezelfde basis weer zitting te nemen in een commissie. ,,Als ze me vragen voor een onafhankelijke raad van toezicht of iets dergelijks, dan zal ik er over nadenken.''

Buruma vindt het niet verstandig dat Donner de verslagen van de gesprekken die de officier van justitie en de advocaat-generaal hadden met onderzoekers van het Nederlands Forensisch Instituut in de zaak-Nienke naar de Tweede Kamer stuurde. ,,De indruk is nu ontstaan dat als je stukken niet aan een rapport toevoegt je iets achterhoudt. Wat een akelig idee. Er waren in deze zaak 100 ordners. Élk evaluatieonderzoek is een selectie.'' Het rapport was open en eerlijk, zegt Buruma. ,,maar ik denk niet dat we nu ooit nog zo'n rapport kunnen schrijven over welke zaak ooit. Secretaresses zullen overuren draaien bij de shredder.''