OM is zeker niet enige schuldige

De fouten die zijn gemaakt in het onderzoek naar de Schiedamse parkmoord tonen aan hoe belangrijk het is om de kwaliteit van de recherche weer op peil te brengen, meent Cyrille Fijnaut.

Niet zo lang geleden werd door de Raad van Hoofdcommissarissen met veel geschal een rapport uitgebracht waarin met grote stelligheid werd geconcludeerd dat de politie zich in de jaren negentig organisatorisch en professioneel sterker ontwikkelde dan in de vijftig jaar daarvoor. Wie het rapport van het evaluatieonderzoek in de Schiedammer parkmoord heeft gelezen weet voor de rest van zijn leven dat dit aanmatigende oordeel over het recente verleden er in elk geval op het terrein van de opsporing totaal naast zit.

Zowat alle belangrijke fouten die bij de aanpak van een zogeheten kapitaal delict kunnen worden gemaakt, zijn hier begaan: miserabel technisch onderzoek op de plaats delict, zeer onvolkomen uitvoering van deelonderzoeken in de omgeving, verhoormethodes die in allerlei opzichten onaanvaardbaar zijn, ondermaatse dossiervorming et cetera, et cetera. En dit door de politie in het Rotterdamse, die tot in de jaren tachtig in Nederland model stond voor de manier waarop zo'n zwaar delict als `de Schiedammer parkmoord' moest worden behandeld! Er zijn zeker ook door leden van het openbaar ministerie en medewerkers van het Nederlands Forensisch Instituut (NFI) fouten gemaakt in dit onderzoek, maar de bron van alle kwaad is ongetwijfeld het erbarmelijk slechte onderzoek dat door de politie werd verricht.

De beeldvorming in de publieke opinie is dan ook helemaal scheef. Omdat het openbaar ministerie bij monde van de voorzitter van het college van procureurs-generaal publiekelijk het nostra culpa heeft uitgesproken – wat hem natuurlijk siert – lijkt het net of dit orgaan de hoofdschuldige is voor de zogenaamde rechterlijke dwaling.

De politie is echter zeker zo verantwoordelijk voor de totale afgang van de Nederlandse strafrechtspleging in deze affaire. Het zou hierom niet meer dan eerlijk zijn geweest wanneer de korpschef van Rotterdam-Rijnmond bij de presentatie van het rapport een plaats had opgeëist naast het hoofd van het openbaar ministerie en zich eveneens in ronde bewoordingen bij alle slachtoffers van de dwaling had geëxcuseerd. En met slachtoffers bedoel ik hier ook de rechters op alle niveaus: hun verkeerde oordeel wortelt zonder meer in de vele gebreken van het politie-onderzoek. Het optreden van de presidenten van rechtbank en hof bij NOVA vond ik pijnlijk. De Rotterdamse korpsleiding had daar moeten zitten, vergezeld door de hoofdofficier van justitie.

Hoe kon het gebeuren dat uitgerekend de Rotterdamse politie in dit geval zo onprofessioneel heeft gehandeld? De verleiding is groot om de betrokken politiemensen en leden van het openbaar ministerie tot zondebokken te maken. En er kunnen hun ook in persoon zeker allerlei dingen worden verweten. Maar het zou volstrekt onjuist zijn om het hierbij te laten. Om de eenvoudige reden dat hun falen in hoofdzaak de wrange vrucht is van jaren wanbeleid bij de (in dit geval Rotterdamse) politie.

Van redelijk dichtbij heb ik kunnen meemaken hoe sedert het einde van de jaren tachtig de recherche in deze stad door zogeheten politiemanagers werd onttakeld. Professionele recherchemensen die in alle toonaarden waarschuwden voor de gevolgen van deze deconstructie, werden niet geloofd en/of verlieten eigener beweging het korps. De spijkerharde analyse in dit rapport liegt echter niet: teamleiders met onvoldoende ervaring voor zo'n zaak, technische rechercheurs die elkaar pas op de plaats delict voor het eerst van hun leven zagen en ga zo maar door.

Is deze zaak uniek? Elk kapitaal delict en elk strafrechtelijk onderzoek bij zo'n delict is uniek. Is hij exemplarisch voor de kwaliteit van de Nederlandse recherche rond de voorbije eeuwwisseling? Dat durf ik zo niet te zeggen; daarvoor moeten de onderzoeken in een hele reeks kapitale delicten systematisch met elkaar worden vergeleken. Maar dat in allerlei onderzoeken door politie en justitie een of meer fouten zijn gemaakt die ook in deze strafzaak een grote rol hebben gespeeld, staat vast. Dit is in de voorbije jaren niet alleen publiekelijk gebleken, ook interne evaluaties van onderzoeken hebben dit aangetoond. Het is niet voor niets dat sedert, zeg 2002, wordt gepoogd de kwaliteit van de Nederlandse recherche op een aantal punten weer op peil te brengen.

Is het ingezette beleid voldoende? Ik denk het niet. Enkele jaren geleden heb ik mij in Haagse kringen sterk gemaakt voor een forse ingreep in de organisatie en werking van de opsporing bij alle regionale korpsen op grond van de mogelijkheden die de Politiewet biedt: kwantitatieve en kwalitatieve eisen aan de recherches en technische diensten; systematische (her)scholing van rechercheurs, verantwoordelijke politiechefs (en ook officieren van justitie en rechters-commissarissen); radicale uniformering van de recherche-administraties e.a.

Men vond zulk een beleid toen te ver gaan: het zou niet passen in de Nederlandse politieverhoudingen. Nu is er echter geen excuus meer om dit allemaal niet alsnog te doen. Het falen van politie (en justitie) bij de aanpak van deze moordzaak heeft de geloofwaardigheid van de (straf)rechtspleging dermate aangetast dat alleen de krachtdadige uitvoering van een samenhangend pakket aan forse maatregelen dit groot verlies aan publiek vertrouwen op den duur kan goedmaken. De doenbaarheid van zulk een `deltaplan' moet dus een belangrijk criterium vormen bij de herinrichting van het politiebestel die op stapel staat.

Prof. dr. Cyrille Fijnaut is verbonden aan de rechtsfaculteit van de Universiteit van Tilburg

    • Cyrille Fijnaut