Kleuters die niet dansen

Alle dingen die Allah voor de mens verboden heeft. Dat is volgens Yamina, `levensstijl adviseuse' op de website moslima.nl, de betekenis van het woord haram. Net als de tegenhanger halal gaat het in eerste instantie om voedsel.

Voor Fenny Brinkman, kleuterjuf op een islamitische basisschool in Amsterdam, kreeg het woord een veel bredere betekenis. Zes jaar lang werkte ze op de school, naar eigen zeggen uit liefde voor de multiculturele samenleving. Een naam wordt niet genoemd, maar twee van de tien islamitische basisscholen in Amsterdam hebben banden met fundamentalistische stichtingen. Zeven jaar geleden nam Brinkman ontslag. In haar boekje Haram doet ze verslag van het laatste jaar, waarin een beter zicht krijgt op het schoolbestuur. In de nabijheid van deze religieuze scherpslijpers blijkt er wel heel veel verboden te zijn. Ofwel zondig, zoals Brinkman haram vertaalt.

Elke ochtend trekt de Hollandse juf een wijde jurk over haar spijkerbroek en een hoofddoek over haar geblondeerde krullen. Make-up is taboe, hard lachen eveneens. Voor de kleuters gelden ook flinke beperkingen. Dansen is haram. Het afbeelden van dieren of mensen ook. `Schilderijen van moskeeën en kalenders van Mekka mogen wel, platen van Bambi of Mickey Mouse absoluut niet.' Rond 5 december worden de schoolramen afgeplakt, om te voorkomen dat leerlingen Sinterklaas op straat zien lopen.

Het lijkt een goed idee, een blik van binnenuit de islamitische school. Na de reportages vanuit zwarte scholen – Juf met staarten van Eefje Pleij (besproken in Boeken, 26.03.04) en vooral Een hand kan niet klapt van Kees Beekmans (besproken in Boeken, 21.01.05) – wekt een volgende schrijvende leerkracht hoge verwachtingen. Maar Brinkman is geen Beekmans.

Hoe kort de losse verhaaltjes ook zijn, echt boeien kunnen ze niet. Dat heeft veel te maken met het bakvissenproza van Brinkman, en met haar verlangen om haar spannende single-bestaan af te zetten tegen het grauwe leven op school. Met haar vriendin Marie mag ze graag een dansje maken en een glaasje drinken. In haar vrije tijd schuwt ze geen `beeldige schoentjes' en `strakke zwarte jurkjes'. Een vader die haar geen hand wil geven is wel een `enorm stuk'.

Erger dan het gekokketeer is de naïviteit. In haar nawoord schrijft Brinkman dat ze op een islamitische school ging werken uit idealisme. Omdat ze de leerlingen wilde helpen te integreren in de Nederlandse samenleving, met behoud van hun moslim-identiteit. Maar terwijl de auteur zich blijft verbazen over radicale uitwassen van die identiteit, verbaast de lezer zich over de motieven van deze `joef'. Haar wereldbeeld is aandoenlijk: de kleuters zijn schattig, de bestuursleden zijn monsters.

Met wat meer zelfreflectie, meer vragen over haar positie in de vreemde wereld waarin ze is terechtgekomen, had Brinkman een aardig boekje kunnen schrijven. Nu blijft ze steken in oppervlakkige verbazing, die door de opeenstapeling ervan steeds minder geloofwaardig wordt. In haar nawoord noteert Brinkman dat Onderwijsinspectie en Arbo-dienst niets tegen de school wilden ondernemen. `Waarschijnlijk uit angst voor racist uitgemaakt te worden.' In Haram spreken moslims Hiawatha-taal en hebben ze op raadselachtige wijze geld en tijd om naar Mekka te reizen. Bij een dikke kleuter uit Somalië `zijn de voedseltransporten blijkbaar wel aangekomen'. Door dit soort terzijdes rijst de vraag wat het idealisme van Brinkman nu werkelijk inhield.

Fenny Brinkman: Haram. Uit het dagelijks leven op een islamitische school. Balans, 125 blz, €12,50