Katrina paste niet in het gewone stramien

Toen de orkaan Katrina op 29 augustus New Orleans leek te sparen, konden de media volstaan met het standaardverhaal over dreiging, evacuatie en schade. Maar toen de volgende dag de dijken braken en een ware catastrofe zich voltrok, werden niet alleen hulporganisaties, maar ook media toch nog verrast.

Een verslaggever van CNN gaf het ruiterlijk toe. Elk jaar zijn er orkanen en afhankelijk van de kracht worden meer of minder verslaggevers op pad gestuurd. Ze nemen de schade op, blijven nog een dagje om met slachtoffers te praten en trekken naar de volgende klus.

Aanvankelijk leek Katrina in dat template (standaardaanpak) te passen. Het ging om een zware orkaan en New Orleans was kwetsbaar, maar gelukkig viel het alles mee. De staat Mississippi leek erger getroffen. De volgende dag verdrong de ramp in Bagdad, waar duizend mensen omkwamen door paniek op een brug, Katrina al weer van de voorpagina's.

Telkens weer blijkt dat er behalve gewone rampen ook buitengewone rampen bestaan. Een overstroming in Bangladesh is voor westerse media routine, ook al vallen er tienduizend doden. Maar een tsunami die grote delen van Azië en ook toeristische gebieden treft, is van andere orde. Dan ook blijkt het een paar dagen te duren voordat de media in het ergste rampgebied (Atjeh) op volle sterkte zijn. Die vertragingsfactor heeft invloed op de hulpverlening.

Niet alleen arme gebieden als Sumatra, ook een van de belangrijkste havensteden van het hoog ontwikkelde Amerika blijkt geïsoleerd te kunnen worden door een vloedgolf. De grootste krant van New Orleans, The Times-Picayune, moest de stad verlaten. Lokale radio- en tv-zenders gingen uit de lucht. Doordat zowel het vaste als het mobiele telefoonnet uitviel, konden binnen- en buitenlandse correspondenten geen verbinding meer krijgen, tenzij ze over een satelliettelefoon of -zender beschikten. Verkeer in de stad was niet meer mogelijk, boten en helikopters waren schaars en duur.

NRC Handelsblad had een extra handicap doordat per 1 september een wisseling van de wacht plaatsvond. De nieuwe correspondent Tom-Jan Meeus was amper in Washington geïnstalleerd, toen Katrina toesloeg. Zodra hij van de dijkdoorbraken hoorde besloot hij naar New Orleans te vertrekken. In eerste instantie kwam hij niet verder dan Houston. Daar kon hij in ieder geval evacués spreken. Later wist hij Baton Rouge te bereiken, een stad ten noorden van New Orleans. Omdat de hotels bomvol zaten met evacués en journalisten, gebruikte hij zijn auto als werk- en slaapplaats. Zo wist hij toch eigen reportages toe te voegen aan de nieuwsstroom van persbureaus.

De berichtgeving werd gecoördineerd en voor een groot deel ook verzorgd door de redactie in Rotterdam. Op 29 augustus, de dag dat Katrina langs New Orleans raasde, stond op de voorpagina een schitterende satellietfoto van de naderende orkaan. Het bijbehorende verhaal bevatte alle elementen van de mogelijke catastrofe: de windsnelheden, de zwakte van de dijken, de grootscheepse evacuatie en de benarde positie van arme, veelal zwarte inwoners die de stad niet konden of wilden verlaten.

De drukinkt was nog niet droog, of er waren al geruststellende berichten op radio en televisie. De kracht van de orkaan was boven land afgezwakt en de richting was gunstig voor New Orleans. De beurskoersen herstelden zich.

De volgende dag opende de krant met een bericht over minister Veerman. De `afgezwakte orkaan' kwam op de derde plaats. Op het moment dat de krant sloot was niet meer bekend dan dat één dijk `flink beschadigd' was. Later die dag werd duidelijk dat tachtig procent van de stad onder water stond. Toen duurde het nog een etmaal voordat alle media weer op scherp stonden.

Opmerkelijk was dat deze krant geen foto's van doden liet zien. Andere Nederlandse kranten en ook Amerikaanse media toonden wel beelden van al dan niet toegedekte lijken. Volgens de fotoredactie was het geen principiële keus om dergelijke foto's niet te laten zien. Ze waren er wel, ze zaten ook in de voorselectie, maar kwamen niet in de krant. Toch zou, toen bleek dat lichamen dagen bleven ronddrijven, een illustratie van dat gruwelijke gegeven wel op haar plaats geweest zijn.

Zoals altijd bij rampen is er een vaste cyclus in de berichtgeving. Eerst is er de beschrijving van de catastrofe met een schatting van het aantal doden en de schade, dan volgen de verhalen over slachtoffers en daarna de schuldvragen. Had de ramp voorkomen kunnen worden? Was de hulpverlening adequaat? En ten slotte: hoe moet het verder? Dat alles tot elders in de wereld nieuwe rampen de aandacht vragen.

De traagheid van de hulpverlening weerspiegelde zich in de onzekerheid over het aantal doden. Eerst waren het tientallen, toen honderden, vervolgens duizenden, daarna mogelijk tienduizend. Voor alle zekerheid werden 25.000 lijkzakken besteld. Maar toen de reddingsactie goed op gang was, werden de verwachtingen naar beneden bijgesteld. Twee weken na de dijkdoorbraken stond het officiële dodental op ruim vijfhonderd. Je vraagt je of hoe betrouwbaar dergelijke cijfers zijn bij rampen in minder ontwikkelde landen.

In de discussie over de schuldvraag richtte de aandacht zich al snel op president Bush. Tweederde van de Amerikanen heeft kritiek op de manier waarop hij de ramp aanpakte. Maar bij de hulpverlening werden op alle niveaus fouten gemaakt. Dat bleek onder meer uit het stuk van Tom-Jan Meeus over de `optelsom van fouten en pech' (10 september).

Ook de zwakte van waterkeringen en de armoede onder de bevolking hebben diepere oorzaken dan het beleid van Bush alleen. In New Orleans wreekte zich de langdurige verwaarlozing van de publieke sector, zo was de strekking van het hoofdredactioneel commentaar op 2 september. Dat is juist, al kun je wel zeggen dat president Bush het voor New Orleans erger heeft gemaakt door te bezuinigen op de waterkering. De media in New Orleans hebben dat de afgelopen jaren keer op keer aan de orde gesteld. Maar wie let op lokale media zolang zich geen rampen voordoen? Zeker Bush niet. Hij zei in september 2003 tegen Fox News: ,,Ik bekijk vluchtig de koppen, maar lees zelden de artikelen.''

Piet Hagen, oud-hoofdredacteur van `De Journalist' blikt eens in de veertien dagen kritisch terug op de berichtgeving in NRC Handelsblad. Alle eerdere bijdragen op www.nrc.nl/krantachteraf

    • Piet Hagen