Ik ben abject en miserabel

Op 7 juli 1905 schrijft de dan zeventienjarige Fernando Pessoa een brief aan de Natal Mercury, waaraan hij in die tijd regelmatig bijdragen leverde. Het bijzondere aan die brief was niet dat hij in het Engels was gesteld. Dat was normaal in het Zuid-Afrikaanse Durban, waar Pessoa een groot deel van zijn jeugd doorbracht en waar ook de Mercury gevestigd was. Het is de ondertekening met de naam 'Charles Robert Anon': het pseudoniem (zoals hij het toen nog noemde) waaronder Pessoa ook zijn bijdragen aan het blad publiceerde.

Met deze brief begint de uitgave van Pessoa's correspondentie die nu in drie delen in Nederlandse vertaling te lezen is. Het is verleidelijk daarin al de aankondiging te zien van latere personages als Ricardo Reis, Álvaro de Campos, Alberto Caeiro en vele andere, waarin Pessoa zichzelf als auteur opsplitste. Ook al blijft Anon een veel vluchtiger figuur dan die laatste, Pessoa's literaire meervoudige-persoonlijkheidssyndroom zat er kennelijk al vroeg in. Het duurde nog een kleine tien jaar voordat de belangrijkste heteroniemen in de correspondentie hun opwachting maakten. Maar toen was het hek ook van de dam.

Het is vooral Álvaro de Campos die af en toe Pessoa's correspondentie overneemt en zo blijkt uit de briefwisseling met zijn geliefde Ofélia Queiroz ook in het dagelijks leven af en toe zijn opwachting maakte: aan de telefoon en soms zelfs in levenden lijve. ,,Vandaag ben ik het niet die hier is, maar mijn vriend Álvaro de Campos'', zei hij dan tegen haar, zo vertelt zij in haar terugblik `Fernando en ik', die in het deel met hun liefdescorrespondentie is opgenomen. Veel had Ofélia niet met Campos op. Hij interfereerde bruut in haar romance met Pessoa, die hij in een van zijn brieven omschrijft als `een abject, miserabel heerschap'. Het was alsof Pessoa via dit alter ego zijn eigen liefdesavontuur bewust ondermijnde.

Pessoa heeft zelf in een beroemd geworden brief (van 13 januari 1935) kort voor zijn dood de ontstaansgeschiedenis van zijn heteroniemen beschreven. Zij sprongen volgens hem voort uit zijn `organische en voortdurende neiging tot depersonalisatie en tot simulatie' en hij noemt zichzelf bij voortduring `hysterisch' (al zou `histrionisch' een betere term geweest zijn). Die brief behoort tot de correspondentie waarin Pessoa de ontvanger een blik biedt in zijn persoonlijke en literaire roerselen, versmolten als die waren tot één amalgaam. Pessoa was (of werd) tenslotte geheel en al literatuur, zoals hij in zijn eerste afscheidsbrief uit 1920 aan Ofélia uitlegt: `Mijn toekomst gehoorzaamt een andere Wet, van welker bestaan jij geen weet hebt, en is steeds meer onderworpen aan de gehoorzaamheid aan Meesters die niets veroorloven en niets vergeven.'

Ploeteren

Geen wonder dat de literair belangrijkste brieven later in tijdschriften verschenen of door Pessoa zelf werden voorbestemd tot publicatie in het Boek der Rusteloosheid, waarvan de titel in een brief uit 1914 voor het eerst opduikt. Ook in het Nederlands waren ze al eerder toegankelijk gemaakt: de heteroniemenbrief (samen met een tweetal andere) in de bundel De anarchistische bankier, bezorgd door August Willemsen, en ruim twintig andere – samen met Pessoa's liefdesbrieven – in Mijn droom is van mij, samengesteld door Harrie Lemmens.

In deze uitgebreide uitgave van bijna driehonderd brieven (plus een vijftigtal aan Ofélia) wordt het literaire personage dat Pessoa was, teruggeplaatst in zijn omgeving die een stuk minder literair geweest moet zijn. Men ziet hem niet alleen ploeteren met de drukproeven, distributie en het abonneebestand van de tijdschriften waarbij hij betrokken was, maar – aanzienlijk prozaïscher – ook met de handelsondernemingen die hij met nog veel rampzaliger uitkomst opzette. Hij probeert mijnbouwconcessies te slijten of juist los te peuteren, patenten te verkopen voor uitvindingen als een gebruikersvriendelijke handelsalmanak, en doet zelfs een onbeholpen sollicitatiepoging voor een bibliotheekbaantje in de provincie, waar hij de rust hoopt te vinden die hij voor zijn literaire werk nodig heeft.

Uit de brieven komt een man naar voren die met overgave leeft in verschillende werelden, maar alleen in zijn literaire persoonlijkheden ontstijgt aan de schlemieligheid die afstraalt van de weinige foto's die van hem zijn overgebleven. Die verbrokkeling wordt – enigszins paradoxaal – onderstreept door de volledigheid van deze correspondentie, waarin kattebelletjes, zakenbrieven, literaire beschouwingen en familiebriefjes kriskras door elkaar staan. In een uitgebreide annotatie tracht Willemsen de lezer te voorzien van de nodige context en relevante passages uit antwoordbrieven (waarvan de Engelse vreemd genoeg niet vertaald zijn). Maar de banaliteit van een flink deel van deze correspondentie heeft een ontmoedigende uitwerking. Met moet érg veel van Pessoa houden om daarin te blijven zoeken naar de pareltjes.

Minidrama

Dat laatste probleem doet zich in veel mindere mate voor in het deel dat geheel aan de liefdescorrespondentie tussen Pessoa en Ofélia is gewijd. Omdat daarin beide partijen aan het woord komen, ontwikkelt zich in brief en tegenbrief een minidrama dat op bepaalde momenten aangrijpend wordt. Het was een drama in twee bedrijven, want op een eerste episode in 1920, die uitliep op het al geciteerde afscheid van Pessoa, volgde negen jaar later nog een tweede, die hetzelfde lot onderging. Plots treft men daarin een Pessoa aan die in een onbeholpen en soms uitgesproken hoekige hofmakerij in zijn hemd staat: lieve woordjes prevelend, dan weer nukkig en vervolgens zelfs vervallend in het babytaaltje dat Ofélia, van haar kant, consequent volhoudt.

Bij het lezen van deze brieven (van haar tweemaal zoveel als van hem) strijden vertedering en gêne om de voorrang en Willemsen doet in zijn nawoord manmoedige pogingen om hen tot betekenisvolle documenten te maken. Zijn suggestie dat de `verliefde Pessoa' uiteindelijk een zoveelste heteroniem zou zijn, zorgvuldig geconstrueerd als schrijver van een minneproza dat in de rest van het oeuvre ontbreekt, voert de systeemdwang echter wel erg ver door. Zoals hij zelf Charles Robert Anon weigert als `heteroniem' op te voeren omdat men bij Pessoa de dingen niet té serieus moet nemen, zo blijft de correspondentie tussen Fernando en Ofélia maar het beste wat ze is: een soms aandoenlijke, vaak tuttige en gaandeweg steeds zeurderiger briefwisseling tussen twee mensen die nu eenmaal niet voor elkaar geschapen waren.

Fernando Pessoa: Brieven [1905-1919]. Uit het Portugees vertaald door August Willemsen. De Arbeiderspers, 327 blz. €22,95

Fernando Pessoa: Brieven [1921-1935]. Uit het Portugees vertaald door August Willemsen. De Arbeiderspers, 453 blz. €29,95

Fernando Pessoa & Ofélia Queiroz: Liefdesbrieven 1920/1929-1935. Uit het Portugees vertaald door August Willemsen en Harrie Lemmens. De Arbeiderspers, 372 blz. €26,95

    • Ger Groot