Het eten viel daar niet mee

Kind van de Oost en Retourtje Tropen, de twee pas verschenen boeken van Hans Vervoort (Magelang, 1939) vullen elkaar op bijzondere wijze aan. Het eerste is een min of meer fictie-boek, het tweede is een reisverhaal. In beide boeken probeert Vervoort uitdrukking te geven aan zijn fascinatie voor zijn verleden in het voormalige Nederlands-Indië. Hij doet dat in realistisch, ingehouden proza. Met zijn in 1975 verschenen reisboek Vanonder de koperen ploert verwierf Vervoort bekendheid als laconiek beschrijver van de ongemakken waaraan de reiziger in Indonesië blootstaat. Wanneer die reiziger ook nog eens in de voormalige kolonie is geboren en meent de zeden en gewoonten van het land te kennen, slaat de verwarring nog harder toe.

Kind van de Oost is nauwelijks nieuw te noemen. Vervoort plaatst bestaande en elders verschenen stukken achter elkaar, vaak voorzien van commentaar achteraf. Dat levert verrassende combinaties op die zijn vermogen tot gedistantieerd vertellen onderstrepen. Het zijn lichtvoetige impressies met een fraaie, stille ondertoon van melancholie, maar overweldigend nieuw of dramatisch zijn de belevenissen niet.

Vervoort is geen stilist die zijn taal opzweept tot overweldigende beschrijvingen. Een zin met pijn over het afscheid van Indië is de volgende, maar het lijkt of het verdriet zich schuilhoudt onder de kalme woorden: `Het nieuwe leven was begonnen en onze tijd werd geleidelijk aan een verhaal uit het verleden: herinneringen uit de oude doos, tempo doeloe, mooi maar voorbij.' Ik vind het jammer dat hij `tempo doeloe' hier zo achteloos gebruikt. Dat begrip, waarvan Rob Nieuwenhuys eens zei: `Ik kan het niet meer horen!' is te versleten om het te kiezen alsof het een belangrijke zinswending is.

Vervoort is een auteur van schetsen, niet van geëmotioneerde verhaallijnen. Soms zou je willen dat er een grootse ingeving of een overdonderend beeld komt. In het reisboek Retourtje Tropen bezoeken Vervoort en zijn vrouw zowel Sumatra als Java. Ze treden min of meer in het voetspoor van hun eigen eerdere reis, vastgelegd in Vanonder de koperen ploert. De schrijver legt een opmerkelijke belangstelling aan de dag voor kapotte lampen en doffe lampenkapjes. Ook munt hij uit in de beschrijving van de ergernissen van de eenzame reiziger, die bijvoorbeeld zonder dat hij het wil in contact komt met een groep luid lawaai makende, jengelende en dikbuikige Hollandse toeristen. Per toeval ben ik eens op een reis op dezelfde plaatsen geweest als Vervoort, bijvoorbeeld aan het meer van Sarangan op Midden-Java. Vervoort beschrijft het meer als een prachtige, spiegelende watervlakte maar ik herinner me dat er veel meer aan de hand was. Het gold als een `heilige' plaats en een plek waar de `nimfen' kwamen baden, zoals het in het werk van Maria Dermoût heet. Het is een geladen plek en niet zomaar een gezellige, fijne waterpartij.

Dit Indonesische tweeluik van Vervoort heeft iets verbazingwekkends. De schrijver lijkt voorbij te gaan aan de vloed van romans, studies en aangrijpende kampherinneringen die toch gerekend moeten worden tot de canon van de geschreven Nederlands-Indische erfenis. Zijn stijl en observaties vallen op door koele nuchterheid. Alleen tussen de regels door blijkt het obsessieve heimwee van de auteur naar het land van vroeger, naar `tempo doeloe'. Pas wanneer Vervoort de contractpensions beschrijft waar de gerepatrieerden uit het naoorlogse Indonesië werden gedumpt, komt er opeens een toon van woede en ook verbazing in het proza. Het mooist is de zoektocht naar het graf van zijn oudere broer bij Ambarawa. Opeens beseft de auteur dat dit zoeken vergeefs is. Het is een mooi beschreven scène. Hierin laat Vervoort zien waarover het in beide boeken op oprechte wijze gaat: de Nederlander, blank en te zwaar gebouwd, is een vreemde in een land `van bruine, slanke mensen'.

Hans Vervoort: Kind van de Oost. Nijgh & Van Ditmar, 175 blz. €15,–

Hans Vervoort: Retourtje Tropen. Nijgh & Van Ditmar, 254 blz. €17,50