Een leven doorstrepen

In mei 1992, vlak na het begin van de oorlog in Bosnië, vluchtte Emir Suljagić, 17 jaar oud, naar Srebrenica. Hij maakte in de moslim-enclave de volle drie jaar van de Servische belegering mee – inclusief het eind, in juli 1995, toen duizenden moslim-mannen door de Bosnische Serviërs werden vermoord.

Er zijn de afgelopen tien jaar een paar boekenplanken volgeschreven over Srebrenica. Suljagić boek Postcards from the Grave is echter bijzonder: het is het enige boek dat door een Bosniër over het drama is geschreven, en het is bovendien het enige boek dat is geschreven door iemand die dat drama de volle drie jaar heeft meegemaakt. Emir Suljagić overleefde `Srebrenica' als tolk van de VN-waarnemers: als werknemer werd hij door de internationale gemeenschap beschermd toen de mannen van de enclave aan de Serviërs werden uitgeleverd.

Postcards from the Grave is een aangrijpend boek. Suljagić beschrijft het onbeschrijflijke: de kou, de honger, de wanhoop, de angst voor de dood die elk moment kon komen, het jarenlang elke dag slopende gevoel door iedereen in de steek te zijn gelaten: `We waren irrelevant, voor iedereen.' De dagelijkse dood die een alledaagse dood werd: `De dood was acceptabel, de angst voor de dood niet.' De dood kwam wanneer Serviërs moslims onderschepten die probeerden voedsel te vinden in de omgeving, of door Servische artilleriebeschietingen, of door honger, uitputting, onderkoeling, ziekte.

Andere keren waren medebewoners de schuldigen, lokale potentaatjes, die voedsel van de schaarse hulptransporten achterover drukten, of de ene wanhopige inwoner die wilde voorkomen dat de andere wanhopige inwoner er met een door Amerikaanse vliegtuigen afgeworpen voedselpakket vandoor ging. Srebrenica was een plaats zonder wet en recht, afgezien van het recht van de sterkste. De inwoners en vluchtelingen waren geen heiligen, het waren mensen in een absoluut uitzichtloze situatie, en als zodanig worden ze ook beschreven: `Srebrenica' was `een oorlog in een oorlog, overdag tegen de Serviërs, 's nachts tegen elkaar, om dat ene stukje voedsel.'

En na drie jaar is er het absolute dieptepunt: de komst van de Serviërs en de uitlevering van de duizenden mannen. Voor Dutchbat heeft Suljagić geen goed woord over: de manier waarop ze de paar vrouwen in Srebrenica behandelden die zich als prostituee voor drie pakjes sigaretten per beurt aanboden getuigt – zwak uitgedrukt – niet van veel medemenselijkheid. Een treurig dieptepunt is de manier waarop Dutchbat-majoor Franken weigerde het leven te redden van Muhamed Nuhanović, de broer van tolk Hasan Nuhanović. Suljagić en Dutchbatter De Haan zetten de naam van Muhamed stilletjes op de lijst van door de blauwhelmen te beschermen personeel. Toen ze de lijst ter goedkeuring aan plaatsvervangend commandant Franken gaven, zei die tegen De Haan: ,,Nee, dat is niet waar, hij werkt niet voor jullie.'' Suljagić: `Franken legde het papier op tafel, stak zijn arm uit om een roze markeerstift te pakken, en streepte een naam, een persoon, een leven door.'

Postcards from the Grave is heel vlak geschreven, afstandelijk, en zonder de bitterheid of verontwaardiging die men zou verwachten. Een diep, diep schuldgevoel, dat is er wel, bij Suljagić, want waarom heeft hij het overleefd, en al zijn vrienden niet? Maar het is geen beschuldigend boek, geen kwaad boek. Het is een boek over mensen die er niet meer zijn, een boek vol verdriet.

Emir Suljagić: Postcards from the Grave. Uitgeverij Saqi, in samenwerking met The Bosnian Institute, 196 blz. €23,45

    • Peter Michielsen