Een Arabische Golfstroom

Waar gaat al dat extra geld naartoe dat door de torenhoge benzineprijzen moet worden afgerekend aan de pomp? De staat pakt er een deel van, maar aangezien het grootste deel van de benzine-accijns een vast bedrag is valt dat eigenlijk wel mee. De oliemaatschappijen dan? Het gaat hun inderdaad goed, maar zij zien zich gedwongen om hun marges laag te houden – hetzij door onderlinge concurrentie, hetzij door de druk van politiek en publiciteit. Geheel toevallig gebeurt dat laatste het eerst in Frankrijk. Vandaag riep daar minister van Financiën Thierry Breton tien oliemaatschappijen (waaronder Shell) rond de tafel om ze op het hart te drukken de pompprijzen laag te houden, want anders zwaait er wat.

Het echte geld wordt op dit moment verdiend door de olieproducerende landen zelf. Sinds de zomer circuleert in het internationale economische discours het extra bedrag van 700 miljard dollar dat, bij een olieprijs van 70 dollar in plaats van 30 dollar per vat, van olie-invoerende landen naar olie-uitvoerende landen stroomt. 400 miljard dollar daarvan gaat naar de OPEC-landen. Dat bedrag is waarschijnlijk overdreven, maar toch kan ook een geldstroom van enkele honderden miljarden dollar al consequenties hebben voor de internationale economie. Toen de olieprijs in de jaren zeventig schoksgewijs omhoogging, kwam er een nieuwe financiële golfstroom op gang die van westerse consumenten naar het Midden-Oosten liep, waarna de `sjeiks' hun overtollige oliedollars weer terugsluisden naar westerse banken. Die moesten iets beginnen met de plotselinge toestroom, en leenden het geld onder meer grootschalig uit aan landen met destijds veelbelovende vooruitzichten, waaronder Mexico en Brazilië. De internationale schuldencrisis van begin jaren tachtig, toen de kredieten zo hoog opliepen dat de nieuwe schuldenlanden eraan bezweken, wordt in de regel dan ook herleid tot de oliecrisis in de jaren zeventig.

Zo ver is het nu nog niet, al was het maar omdat veel olielanden in het Midden-Oosten het extra geld eerst hard nodig hebben voor het op peil houden van hun sterk gestegen levensstandaard. Nu is de eurozone traditioneel de belangrijkste exporteur naar de regio. Een stijgende olieprijs is slecht voor de euro-economie, maar wordt deels gecompenseerd door een stijging van de invoer door OPEC-landen uit de eurolanden, die in 2004 al 34 procent bedroeg.

Het marktmechanisme lost het probleem dus voor een deel vanzelf al op. Maar kom daar maar eens om bij de Thierry Bretonnen van deze wereld. Het onder druk zetten van oliemaatschappijen is veel makkelijker. En het doet het ook zo goed voor de camera.

    • Maarten Schinkel