Dit boek is nooit af

Tolstoj de beschouwer komt pas te voorschijn aan het einde van de nu vertaalde duizend pagina's dunne versie van `Oorlog en vrede'. Maar ook in deze editie van de roman is de geschiedenis een alles voortstuwende kracht, waar zijn karakters zich niets van aantrekken.

Is Oorlog en vrede de grootste van alle romans? Zoals filmcritici om de zoveel jaar steeds opnieuw Citizen Kane uitroepen tot beste film aller tijden, zo geldt in de literatuur, bij schrijvers en lezers, als het allerbeste vrijwel altijd Tolstojs roman over – ja, over wat?

Het is in alle opzichten een reusachtig boek en critici die hun bewondering voor deze kolos willen delen, stranden in de meeste gevallen in onmachtige generalisaties (John Updike: `a momentous panorama of human activity') of te lange opsommingen. Deze roman gaat over zo veel, misschien wel over alles: over Rusland tijdens de Napoleontische oorlogen, over de dramatische lotgevallen van drie adellijke families, over wat geschiedenis is, over verliefd worden, over trouw en ontrouw, geloof en ongeloof, illusie en desillusie, over macht en onmacht, over wat het betekent om mens te zijn, over wat het leven is, en de dood – daar heb je het al. Zolang je je in de roman bevindt, spreekt alles vanzelf, van de intiemste aanraking tussen de fictieve personages tot de daden van historische figuren als Napoleon en tsaar Alexander de Eerste. Als geen andere schrijver verstaat Tolstoj (1828-1910) de kunst je de sensaties en emoties van zijn personages te laten ondergaan; je staat er bij en je doet mee. Van buitenaf is het knap lastig er iets over te zeggen dat niet stijf afstandelijk en wanhopig algemeen aandoet.

Je kunt over Tolstojs bedoelingen praten, over de boodschap die er in lange exposés steeds opnieuw bij de lezer wordt ingehamerd; dat de mens een speelbal is van krachten waarvan hij zich maar nauwelijks bewust is, dat de geschiedenis één lange samenloop van omstandigheden is, dat onze neiging om te geloven in grote mannen die de wereld naar hun hand zetten, een pijnlijke illusie is, en dat de officiële geschiedschrijving waarmee de mensheid zichzelf in kaart brengt, niet meer is dan een etiket, waarachter duizenden onzichtbare handelingen en omstandigheden schuilgaan waarvan de betekenis nooit achterhaald zal worden. Maar dat is Tolstoj de didacticus, dat zijn de uitweidingen van de vaak nogal onheldere beschouwer, die later zal verharden tot een dogmatische ziener, een religieuze moralist die zich walgend zal afkeren van alles wat al te menselijk is – niet in de laatste plaats van Oorlog en vrede zelf. Het grootste wonder van die roman is nu juist de hartstocht waarmee Tolstojs personages zich in het leven storten, de blinde verwachting waarmee ze de liefde, de oorlog en de grote vragen omhelzen, alsof ze het middelpunt van het universum zijn, alsof er helemaal geen geschiedenis bestaat. Natasja, Pierre, Andrej, Nikolaj, ze verschillen hemelsbreed van elkaar, allemaal zoeken ze iets anders, bij elkaar of ergens anders, maar als iets ze met elkaar verbindt, is het het onbewuste besef van de vrijheid om je eigen leven te maken. Dat die vrijheid een illusie blijkt te zijn, dat het leven zich niet laat maken en je op een zeker moment ongenadig te grazen neemt, dat besefte de jonge Tolstoj heus wel.

En toch, en toch – neem Natasja's fatale vergissing, haar plotselinge bevlieging voor de mooie ijdeltuit Anatole, terwijl ze verloofd is met de oneindig veel interessantere Andrej Bolkonski. Het is een liefde die het woord nauwelijks waard is – Anatole ziet Natasja als speelgoed – en later zal Natasja inzien dat het een fatale vergissing was, maar toch gaat Tolstoj op het moment zelf helemaal mee in haar gevoelens, laat hij haar wilde illusie intact, waardoor de lezer zijn hart alleen nog maar steviger vasthoudt. Verliefd zijn op de verkeerde, daar gaat het over – het domme struikelen waar geen mens aan ontkomt, je verlangen dat heel de wereld kleurt, ook al is het nog zo idioot.

Nu ik het over de liefde heb, neem de scène waarin de Rostovs en hun huisgenoten zich met kerst feestelijk verkleden en een nachtelijke trojkatocht organiseren, waarbij Nikolaj Rostov eindelijk valt voor zijn huisgenote Sonja, die haar hele leven al smoor op hem is. Er gebeurt eigenlijk helemaal niets in die scène, het is een en al knusse gezelligheid, de geschiedenis en Napoleon zijn in geen velden of wegen te bekennen, maar bijna tussen de regels door voel je hoe Nikolaj met andere ogen naar Sonja gaat kijken. Tolstoj laat die liefde opbloeien te midden van allerlei onbetekenende gebeurtenissen, een oppervlakkig sociaal gebeuren dat zo uit Een zomerzotheid afkomstig had kunnen zijn, maar de jonge schrijver voelt nog vrijwel nergens de noodzaak zich daarvoor te excuseren. Hij is een meester in de heftige, dronken makende lichtheid van het bestaan, een lichtheid die zijn rechtvaardiging enkel en alleen in zichzelf vindt. Die lichtheid vindt Tolstoj ook op het slagveld. Ongeremd geeft hij ruim baan aan de euforie waarmee de jonge Nikolaj zijn eerste charge uitvoert, of aan de opwelling van heroïsche hartstocht waarmee vorst Andrej tijdens de hopeloze slag bij Austerlitz het regimentsvaandel grijpt en de vijand tegemoet rent.

Dat die lichtheid niet blijvend is, spreekt ook voor hem vanzelf. Natasja raakt in een crisis na haar fatale bevlieging, bij de mooie Anatole wordt tijdens de slag bij Borodino een been afgezet en Nikolaj Rostov trouwt uiteindelijk helemaal niet met het meisje waarop hij tijdens de nachtelijke sleetocht verliefd wordt. Andrej sterft na de slag bij Borodino.

Hoewel, in de versie waarvan nu een nieuwe Nederlandse vertaling is verschenen blijft vorst Andrej Bolkonski leven. Tolstoj moet aanvankelijk medelijden met hem hebben gehad, hij laat hem zich zelfs op zijn ziekbed weer platonisch verenigen met zijn Natasja. Het wordt niet duidelijk wat hij met de rest van zijn leven gaat doen, zijn grote liefde trouwt met het aandoenlijke warhoofd Pierre Bezoechov. Je kunt goed begrijpen waarom Tolstoj hem in het latere, definitieve manuscript majestueus laat sterven; het is niet meer dan poetic justice dat deze overbewuste bijna-cynicus alleen in het aangezicht van de dood het leven kan omarmen.

De Nederlandse uitgever van deze vroege versie kondigt deze vertaling aan als een soort Oorlog en vrede light, voor lezers die opzien tegen het geheel of het echt te druk hebben met hun baan en gezin. Déze Oorlog en vrede is per slot van rekening zo'n zes, zevenhonderd bladzijden korter dan de uiteindelijke roman, de twee lange epilogen ontbreken, net als veel bespiegelende passages. De campagne van 1812, die de hoofdmoot vormt van de `echte' roman, komt er hier nogal bekaaid van af. Het slot doet ronduit afgeraffeld aan. Tolstoj de beschouwer komt pas aan het einde van deze versie naar voren, en hij houdt het opvallend kort, ook al ziet hij ook nu de kans om zichzelf een paar keer te herhalen, alsof hij bang is dat de lezer maar niet wil snappen dat de geschiedenis een onafwendbare stuwende kracht is, waarin de grote politieke leiders van even grote betekenis zijn als het schuim op de golven, enzovoort.

Uit het nawoord van Anne Pries valt op te maken dat het om een volledige afgeronde oerversie van de roman gaat, die door de Russische literatuurwetenschapper Eveline Zajdenschnur tijdens de vorige eeuw nauwgezet uit verschillende manuscripten en vroege tijdschriftpublicaties is gereconstrueerd. Een aangepaste handelseditie van deze versie verscheen begin jaren tachtig in Rusland, zonder varianten en notenapparaat en al het Frans van de personages (waarover lezers al vanaf de eerste publicatie halverwege de jaren zestig van de negentiende eeuw hebben geklaagd) gewoon in het Russisch vertaald.

Het lijkt een overbodige luxe, deze vertaling, en het hangt van je liefde voor Tolstoj af of je de nadruk wil leggen op overbodigheid of op luxe. De vertaling in de Russische bibliotheek van Van Oorschot doet tegenwoordig weliswaar hopeloos stijf en verouderd aan, maar voor 2006 is door dezelfde uitgeverij een gloednieuwe aangekondigd. Aan de andere kant, nergens vind je de vroege, emotioneel directe en onbekommerde Tolstoj in zo'n zuivere vorm als in deze versie. Bovendien heeft Oorlog en vrede altijd iets bewust onafs gehad, na de voltooiing bleef Tolstoj er steeds maar aan toevoegen, zodat er nog altijd discussie is over welke versie van de latere edities nu als canoniek beschouwd kan worden. Deze roman is altijd al een uitdijend universum geweest. Zijn verhaal een vaste vorm opleggen moet Tolstoj even dwaas gevonden hebben als de door hem keer op keer gesmade geschiedschrijvers, die van de ontzagwekkende kluwen van menselijke handelingen en gedachten een pasklaar verhaal maken. Het was precies de reden waarom een vormbewuste schrijver als Henry James negentiende-eeuwse romans als Oorlog en vrede en Moby Dick met afschuw `a loose baggy monster' noemde.

Er is nog iets dat voor deze editie pleit: de vertaling. Over het Russisch kan ik niet oordelen, maar het Nederlands van Peter Zeeman en Dieuwke Papma doet de onstuimige directheid van de roman meer dan recht; het is een dynamisch en volkomen idiomatisch gekneed Nederlands, ongehinderd door ontzag of omzichtigheid voor het Literaire Meesterwerk. In het begin schieten ze nog wel eens door in gelikte anachronismen (balen, showbink, knudde), maar ze slagen er consequent in Tolstojs proza een eigen Nederlands ritme te geven. Zijn heldere, onopgesmukte zinnen worden in een ongeïnspireerde vertaling al snel bloedeloos; Zeeman en Papma weten er bijna duizend bladzijden lang de vaart in te houden. Ze hebben oog voor de subtiele ironie in de beschrijvingen en een formidabel gevoel voor de schijnbaar achteloze stilistische bravoure waarmee Tolstoj zijn universum neerzet.

Dat universum is in Oorlog en vrede nog heel werelds en wordt vrijwel helemaal van binnenuit beschreven. De schrijver Tolstoj begon bij zichzelf en eindigde bij God; in zijn vroege dagboeken sprak hij zijn losbandige ik voortdurend bestraffend of wanhopig toe, aan het einde van zijn leven geselde hij de mensheid met grote, rigide inzichten. In Oorlog en vrede had hij nog niet walgend afstand genomen van wat het natuurlijke domein van de roman is: het sociale verkeer tussen mensen. Integendeel, in het defensieve voorwoordje dat bij deze oerversie is gevoegd, bekent de schrijvende graaf dat hij aristocraat in hart en nieren is. Hij is eenvoudig niet bij machte over een andere sociale klasse dan de allerhoogste te schrijven, beweert hij met valse deemoedigheid, maar met een overduidelijke steek onder water naar sociaal bevlogen tijdgenoten als Dostojevski. Allereerst natuurlijk omdat de getuigenissen van de Napoleontische oorlogen alleen door de geletterde klasse zijn vastgelegd, maar toch ook omdat Tolstoj gewone mensen domweg te gewoon vindt: `omdat het leven van kooplieden, koetsiers, seminaristen, dwangarbeiders en boeren mij eentonig en saai voorkomt, en dat alles wat zulke mensen doen mij grotendeels lijkt voort te vloeien uit steeds dezelfde drijfveren: afgunst jegens de gelukkigere standen, hebzucht en materiële verlangens.' Zo provoceert hij nog even door, totdat hij met triomfantelijk dédain de aap uit de mouw laat komen: `omdat ik nooit heb kunnen begrijpen wat er omgaat in het hoofd van een schildwacht die voor zijn huisje staat, wat een marktkramer denkt en voelt die met bretels en stropdassen staat te leuren, wat de gedachten zijn van een seminarist wanneer hij voor de zoveelste keer wordt meegenomen om van de roe te krijgen, et cetera. Zoiets kan ik evenmin begrijpen als ik kan begrijpen wat een koe denkt wanneer ze wordt gemolken of wat een paard denkt dat een fust voorttrekt.'

Natuurlijk is dat gelogen. In werkelijkheid kan de jonge Tolstoj zich overal in inleven; op een gegeven moment verdiept hij zich zelfs in de psyche van een paard tijdens de slag bij Austerlitz, in een van die wonderlijke, schijnbaar lukrake terzijdes waarmee hij onverwachte vergezichten weet te ontsluiten. En het zijn aristocratische personages als Andrej en Pierre die ver over de rand van het bestaan heen kijken, voor wie de wereld van de society allesbehalve voldoende is. Beiden vragen zich af wat hun plaats in de wereld moet zijn, Andrej wordt van binnenuit bedreigd door cynisme, Pierre door een ondoordacht enthousiasme voor alle goede zaken. Beiden beseffen op hun eigen manier dat de wereld zoals zij is niet voldoet, maar ze verloochenen die wereld niet, zoals de oude Tolstoj zou doen.

De verbluffende kracht van Oorlog en vrede ligt in die vanzelfsprekende afwisseling van alledaagse sociale details en intense visionaire momenten, die de blik van lezer tot ver voorbij de horizon van het wereldse leven richten. De soldaten die jolig de oorlog ingaan en bijna over elkaar struikelen in onbezorgd enthousiasme en galgenhumor, staan ergens op het platteland van Oostenrijk ineens lijnrecht tegenover elkaar. Tussen hen ligt ineens een `strenge, dreigende, onbereikbare en ongrijpbare grens.' Tolstoj vervolgt: `Eén stap over die grens, die herinnert aan de scheidslijn tussen de levenden en de gestorvenen, en je betreedt het onbekende domein van het lijden en de dood. Wat is daar? Wie zit daar? Daar, achter dat veld, achter die boom, achter dat dak daar dat schittert in de zon? Niemand die het weet, en toch wil je het weten. Je bent bang om die grens te overschrijden en toch wil je eroverheen, en je weet dat er vroeg of laat niets anders op zit en dat je er dan achter zult komen wat daar is, aan de andere kant van de grens, zo goed als dat je er onvermijdelijk achter zult komen wat er aan gene zijde van de dood is. En dat terwijl je je sterk voelt, gezond, monter, gespannen, en je omringd bent door mannen die net zo gezond, gespannen en energiek zijn.'

Die grens is overal voelbaar, zeker in deze oerversie. Later, tijdens het schrijven van Oorlog en vrede misschien al, zou de schrijver Tolstoj die grens overgaan en naar het menselijk gekrioel kijken vanuit het gezichtspunt van de eeuwigheid. Dat gekrioel kwam hem van daaruit hopeloos onbetekenend voor, of zondig, zoals in De Kreutzersonate, waarin hij de menselijke liefde als een afschuwwekkende vleesmarkt beschrijft en het huwelijk als een permanente vechtkooi. Verwachting, een eigenschap die zoveel van de personages in Oorlog en vrede in haar greep heeft, zou hij niet meer als aandoenlijk maar enkel als dwaas beschouwen.

Maar de soldaten op het slagveld in 1805 kijken, zoals de meesten van ons, naar die ongrijpbare grens vanuit een alledaagse wereld. Het gevoel voor die grens te staan geeft hun indrukken, schrijft Tolstoj, `een speciale glans en een vreugdevolle scherpte'. Het leven mag gedetermineerd zijn, en eindig, en onbeduidend, en één lang voorspel op de dood – geen van de honderden personages in Tolstojs meesterwerk legt zich daar bij neer.

L.N. Tolstoj: Oorlog en vrede. Vertaald door Peter Zeeman en Dieuwke Papma. Ambo, 968 blz. €49,95

    • Bas Heijne