De repeterende eentonigheid

De fundamenteelste kritiek op de Nederlandse woningbouw is ver terug in de vorige eeuw geleverd door Simon Carmiggelt, in een Kronkel in Het Parool. Hij is op een vrolijk verjaardagsfeestje bij een familie die in een splinternieuwe nieuwbouwwijk woont. Dan ontdekt hij dat hij geen sigaretten meer heeft. Hij wil niet bietsen. Op de hoek van de tweede straat links is een winkel, zegt zijn gastheer. Hij koopt twee pakjes, ziet onderweg een feestwinkel en denkt: ik ga de jarige verrassen. Koopt een feestneus. Belt aan bij het huis van de verjaardag, zet het ding vlug op. Een dienstmeisje doet open, hij dringt haar opzij, springt de huiskamer binnen en roept: `Daar ben ik weer!' In de kamer zit een oude man met zijn voeten in een teil water. Verschrikt kijkt hij op en zegt: `Huh?'

Dit verhaal hebben we aan de architectuur van de Nederlandse massawoningbouw te danken. In geen land kun je je met zoveel overtuiging in een voordeur vergissen als bij ons. Ik dacht eraan toen ik las dat Carel Weeber afscheid neemt van Nederland, terugkeert naar zijn geboorteland Curaçao en daar een huis van volstrekt eigen ontwerp gaat bouwen. Weeber is de uitvinder van het wilde wonen, een denkbeeld dat hij in 1997 in een vraaggesprek met Bernard Hulsman in deze krant heeft gelanceerd. Dat veroorzaakte opschudding. Weeber had een grote nationale behoefte van een naam voorzien. Maar ook een nationaal verzet geactiveerd. ,,Als iedereen maar kon bouwen wat hem toevallig te binnen was geschoten zou het een mooie boel worden.'' Natuurlijk liep het niet zo'n vaart met het wilde wonen. Welstandcommissies (door Weeber de smaakpolitie genoemd) die in de woningbouw bepalen wat wel en wat niet mooi is, deden hier en daar wat water in de wijn. Maar nog altijd kun je je flink vergissen als je in een nieuwbouwwijk aanbelt bij de deur waarvan je overtuigd bent dat het de goede is.

Het Nederlandse raadsel is dat van de repeterende eentonigheid. We hebben mooie woningbouw, in Amsterdam-Zuid, de Plantagebuurt, en Kralingen in Rotterdam bijvoorbeeld.

En hoeveel er ook veel in de Amsterdamse Sarphatibuurt verpest is, er staat nog altijd genoeg overeind om de allure van dat geheel te kunnen herkennen. We hebben grote stedenbouwers, Van Eesteren, De Klerk, Berlage. Een van beroemdste architecten ter wereld is op het ogenblik Rem Koolhaas. Maar daar gaat het niet om. De repeterende eentonigheid heeft ons de afgelopen halve eeuw beslopen en gevangen genomen. ,,Zelfs in Rusland en Cuba zie je niet meer zoiets als een Vinexwijk. Het is onbegrijpelijk dat niemand in opstand komt'', zei Weeber in een interview met de Volkskrant van 13 september.

Ze doen het niet. Als het op wonen aankomt, horen de meeste Nederlanders tot de gewilligste conformisten. Ze laten zich opbergen in wijken die eruit zien als open inrichtingen. Of als ze geld hebben, genoeg om oorspronkelijk, individueel te wonen, laten ze op een vrije kavel een cataloguswoning neerzetten, dat is een huis van een model dat je in de catalogus van de bouwer kunt aanwijzen, van een kasteeltje in de trant van Ludwig II van Beieren, tot een laat-middeleeuwse boerderette met overdekte waterput of een Venetiaans palazzootje met zwembad. Ergens in West-Friesland staat zo'n cataloguswijk. Architectonisch gesproken word je er hoorndol van.

Eentonigheid is altijd repeterend, zult u zeggen. U hebt gelijk. Maar het eigenaardige van deze eentonigheid is dat, terwijl er allerlei pogingen worden gedaan om eraan te ontsnappen, er paradoxaal telkens weer een nieuwe vorm van dezelfde eentonigheid uitkomt. Na het passeren van de Belgische of de Duitse grens zie je meteen dat je in het buitenland bent, doordat dit verschijnsel er plotseling niet meer is. Een opluchting voor de ogen.

Het eigenaardige is dat we met onze uiterste zorg voor stad en landschap en angst voor architectonische strapatsen er toch in slagen van het geheel meer en meer een rommeltje te maken. De tunnel voor de Hoge Snelheids Lijn onder het Groene Hart is symbolisch. Het kunstwerk dat voor 900 miljoen gulden was aanbesteed kost nu, in de oude munteenheid, een miljard en het Groene Hart wordt voorspoedig volgebouwd.

Begin vorig jaar was Rem Koolhaas voor langere tijd in Nederland. Hij nam de gelegenheid te baat om het vaderland wat grondiger te bekijken. Had hij zich laten rijden langs de snelwegen van de Randstad, was nog wat verder het land ingegaan. Op de televisie werd hij over zijn ervaringen ondervraagd. Hij was verbijsterd. Wat is er in godsnaam de laatste tien jaar met dit land gebeurd, vroeg hij zich af. Al die grote dozen die het bedrijfsleven op de weilanden heeft neergezet, de kantoren, de fabriekjes, loodsen en dat afgewisseld met die nederzettingen van bakstenen kabouterhuizen. Wie heeft dat gedaan, vroeg hij zijn interviewer. Die wist het ook niet. Niemand heeft het gedaan. De grote daders zijn de wederopbouwers van na de oorlog, tot en met het Poldermodel in combinatie met de voormalige Nieuwe Economie. En nu nog steeds de bureaucratie van de consensus die ondanks alle revoluties onze nationale versie van de democratie blijft. Met vereende krachten hebben ze de Nederlandse metamorfose tot stand gebracht. Ze? Nee, dat waren wij die het ons hebben laten gebeuren.

    • H.J.A. Hofland