De kwekerij is mijn paradijs

Jan Siebelinks nieuwe roman `Knielen op een bed violen' gaat over zijn vader tot wie God sprak. ,,Ik dacht dat ik, als ik bij mijn vader in de buurt was, ooit het heil zou ontvangen.''

Drie appelbomen plantte de vader van schrijver Jan Siebelink bij de geboorte van zijn drie zonen. Voor Jan, de oudste, viel in 1938 de keuze op de zogeheten Yellow. Voor de tweede zoon werd het de Schone van Boskoop en voor de laatste een Sterappel. Voor zijn vrouw kweekte Siebelinks vader een Notarisappel. In de tuin van het ouderlijk huis van Jan Siebelink in Velp bloesemen de bomen nog steeds en dragen vrucht.

Liefdevol wijst de schrijver de bomen aan met hun grillige vormen en ruwe bast. Het is een zonnige dag begin september met stil, pril herfstweer. Siebelink noemt het licht `teder'. ,,Ik ben geen reiziger'', zegt hij. Siebelink is geboren hier in Velp en in zijn boeken keert hij terug naar deze plek op aarde. Niet alleen het huis van vroeger speelt in zijn romans een belangrijke rol, ook de bosrijke, glooiende omgeving, het veerhuis aan de IJssel bij Lathem, de stad Arnhem aan de Veluwezoom en een eeuwenoud gebied als het Rouveen, het `Rode Veen'.

Jan Siebelink is vertrouwd met de landstreek. Het is een onuitputtelijke bron van ideeën, inspiratie. Van verhalen en boeken vooral. In het begin van zijn laatste roman Knielen op een bed violen beschrijft hij, naar eigen zeggen, de `genesis' van dit landschap. Er staat: `Die golvende meestal blauwe streep vlak boven de dijk is de Veluwezoom: het beloofde land, het land Kanaäns (-) Na het veen begint een smalle strook vast land met oude verwilderde weiden, overgroeide paden en karrensporen die niet de indruk wekken ergens heen te lopen.'

Niet alleen aan het Gelderse landschap geeft Siebelink mythische en zelfs bijbelse allure, ook de achtertuin en de aangrenzende kwekerij langs de Bergweg krijgen in zijn werk grootse dimensies. De kwekerij is helaas, na de dood van Siebelinks vader, vervallen. Maar in romans als De herfst zal schitterend zijn, De hof van onrust, Engelen van het duister, De overkant van de rivier en vooral in Knielen op een bed violen is elke centimeter van die `heerlijkheid, deze lusthof', behouden gebleven.

Op de kwekerij staat nog, van voor de oorlog, een vijfde appelboom. De Limoenappel, een zure vrucht. Deze appelboom speelt in Knielen op een bed violen een cruciale rol. Jan Siebelink: ,,De kwekerij is het paradijs van mijn jeugd, dat na de dood van mijn vader is verkwanseld, verwoest, in verval geraakt. Ik heb dat altijd als een tragedie ervaren. Met de taal van mijn boeken, met woorden, roep ik dat paradijs weer tot leven. Schrijven betekent voor mij iets terugvinden dat anders onherroepelijk is verloren.''

Enclave

Siebelink noemt de kwekerij `een binnenterrein, een enclave'. Hij is een schrijver die met hart en ziel gehecht is aan de omgeving van zijn jeugd met de mensen daar, herkenbare straatnamen, gebouwen, scholen en geografische locaties. Het oosten van Gelderland bij Velp, Lathum, Rheden, Arnhem en de IJssel is zijn wereld, waar, zoals hij eens schreef, `de zon nooit ondergaat'. De kwekerij was voor de kleine Jan Siebelink een ommuurde kloostertuin, waar zijn vader teruggetrokken leefde. ,,Hij was als een heremiet die niets met de buitenwereld te maken wilde hebben'', zegt Siebelink nu. ,,Als jongen en oudste zoon van drie kinderen zorgde ik voor de handel. Ik spijbelde keer op keer van school om snijbloemen en planten aan de bloemisten in Arnhem te slijten. Ik wilde een voorbeeldig kind van mijn ouders zijn. Mijn vader was gelovig in de protestantse leer en ik dacht dat ik, als ik bij hem in de buurt ben, ooit het goddelijk heil zou ontvangen. Daarom was ik niet van zijn zijde weg te slaan. Ik ben nooit opstandig jegens hem geweest.''

De teloorgang van het Velpse paradijs zette in met de noodlottig te noemen bekering van Siebelinks vader onder de appelaar. In meerdere boeken heeft Siebelink dit onderwerp aangesneden, maar nooit uit het perspectief van zijn vader zelf, zoals in Knielen op een bed violen. In ander werk overheerst de relatie tussen vader en zoon, en is de laatste de al dan niet verhulde ik-figuur. Met de schepping van hoofdpersoon Hans Sievez en zijn echtgenote Margje kiest Siebelink voor het eerst de vaderfiguur tot kern.

De plaats van handeling is opnieuw de kwekerij, die grenst aan een kleine katholieke begraafplaats. Een beukenhaag scheidt de twee werelden van elkaar. Onder de boom van de Limoenappel op de kwekerij krijgt Siebelinks vader een visoen, waarin God Zich aan hem openbaart. Die magische plek bestaat nog steeds, zij het verwilderd. Jan Siebelink wijst de plaats aan waar, zoals zijn vader zei, `in een geruis van onweer en storm God tot mij heeft gesproken'. Maar die middag stond de zon hoog aan de blauwe hemel en was het windstil. Dat herinnert de kleine zoon Jan zich nog goed.

Siebelink: ,,Toch heb ik eens geschreven dat ik graag wil geloven dat God daar mijn vader opriep tot bekering. Nadat hij me vertelde over de verschijning van God met onweer en storm heb ik hem die ervaring nooit betwist. Mijn vader trok zich sindsdien terug op de kwekerij en als jongen van zeven, acht ging ik erop uit om de bloemen te verkopen. Want sinds vaders bekering waren wij erg arm. Mijn vader gaf niets om geld, om aards slijk of aardse gemakken. Zo mocht mijn moeder op zondag het gas niet gebruiken, want dat was ongeoorloofd op de rustdag des Heren.''

Siebelink is een telg van de kleine middenstand. ,,Ook dat'', zegt hij, ,,behoort tot mijn schrijverschap. Kinderen van de middenstand willen altijd verder in het leven, ze willen hogerop. Mijn broers en ik hadden beslist geen rijke kindertijd. Ik wilde altijd dat er geld was voor eten en kleren. Daarom werkte ik van vroeg tot laat samen met vader op de kwekerij. Ik dreef de handel waar hij uit overtuiging voor terugdeinsde.''

Het is niet alleen de bekering van Siebelinks vader waarmee langzaam een gezinsdrama wordt ingezet, het is vooral de religieuze dwang die een stelletje geloofsgenoten op hem uitoefent. Hierdoor verandert vader Siebelink voor zijn gezin in een vreemd en ongrijpbaar gezinshoofd. In het zwart geklede mannen van reformatorische gezindte bezochten vader Siebelink op de kwekerij om hier of elders onder de open lucht als hagepredikers een geheime dienst te houden.

Jan Siebelink laat het gat in de beukenhaag zien. Dankzij deze doorgang waren ze onzichtbaar voor Siebelinks moeder. Het is nu bijna dichtgegroeid.

Het is onvoorstelbaar dat hier volwassen mannen kropen. Engerds die een ontwrichtende invloed hadden op het gezin Siebelink.

In Knielen op een bed violen dragen ze namen als Jozef Mieras en Huib Steffen. Het zijn monsterachtige verschijningen met een gezwel in de hals of een andere fysieke onaantrekkelijkheid, stinkend in hun sombere kledij. ,,Het waren oefenaren die overal in Nederland exegese hielden. Ze herkenden elkaar aan hun taalgebruik'', legt Siebelink uit. ,,Deze groepering van piëtistische protestanten heeft geen eigen naam. Het is een unieke geloofsgemeenschap in West-Europa, tamelijk ongestructureerd. Ze dragen hun overtuiging niet als een hechte geloofsrichting uit, maar op individuele wijze. Ze kiezen iemand tot slachtoffer.''

Jan Siebelink heeft zich verdiept in de geschiedenis van deze reformatorische groepering, waarvan de wortels teruggaan tot vroeg in de zeventiende eeuw. Na de val van Antwerpen kwamen veel protestanten in Oost-Gelderland en Duitsland terecht, onder meer in Lathum en het Duitse Emden. Zij hingen een betrekkelijk zeldzame vorm van religieuze bevindelijkheid, het piëtisme, aan. Je moest God gezien hebben, zoals Siebelinks vader, anders mocht je niet toetreden tot hun kring.''

Siebelink: ,,Het waren tweederangsfiguren van wie mijn vader in de ban raakte. Ik heb hem altijd tegen hen willen beschermen. Mijn vader was een knappe opgewekte man, hij hield van toneelspelen. Hij was aanvankelijk gelukkig met mijn moeder en met zijn drie zonen. En plotseling vervreemdde hij van vrouw en kinderen. Hij sloop weg van huis om met de oefenaars ergens een bijeenkomst te houden. Mijn ouders begonnen in een vacuüm te leven. De familie van moederskant was erg op hem gesteld, maar mijn vader vermeed elk bezoek of verjaardagsfeestje. Dan moest mijn moeder hem in bescherming nemen en haar afwezige echtgenoot verdedigen met opmerkingen over de drukte op de kwekerij, waar natuurlijk altijd iets te doen is. Ook met de buren hadden wij geen band. Ons gezin werd een eenzaam gezin.''

Kernwoord van de religieuze overtuiging van Mieras, Steffen en hun trawanten is deze bevindelijkheid. God moet tot de mens komen, anders heeft bekering geen zin. Op de katholieke begraafplaats hangt een Christusbeeld, waarop de kleine Jan Siebelink met een katapult stenen richtte. Ik kijk verschrikt op. Maar Siebelink reageert laconiek: ,,Dat mocht, want het was toch een afgodsbeeld. De groep van bevindelijken waartoe mijn vader behoorde, geloofde niet in de komst of de bemiddeling van Christus of het verlossende evangelie. Zij spraken in termen als `bewilligmaking' van de mens. De mens moet willig zijn, anders heeft het geloof geen zin. God dient zich over je te ontfermen, je aan te roepen, anders wordt het niks met je uitverkiezing.''

Verderfelijk

We lopen langs het ouderlijk huis aan de Bergweg en spieden door de ramen naar binnen. Siebelink: ,,Daar, op die plaats in de achterkamer, is mijn vader gestorven. Het is nu allemaal anders, de suitedeuren zijn er niet meer. Hier kwamen de mannen tegen mijn moeder zeggen, terwijl mijn vader lag dood te gaan, dat onze aanwezigheid verderfelijk was. Want wij waren zondig. Daardoor zou mijn vader in de hel komen. Ook zeiden ze met hun bozige instelling dat `als er in een kamer twee mensen zijn, een is uitverkoren en een is verloren.'''

Siebelink houdt even stil, zegt: ,,Als jongen wilde ik altijd uitverkoren zijn.'' In Knielen op een bed violen tekent Siebelink de machteloosheid van moeder en het kind Ruben, die vergeefs proberen hun man en vader binnen de geborgenheid van het gezin te houden. Bijna aan het slot van de roman, vlak voor de aangrijpend beschreven dood van Hans Saviez, komt Margje tot het pijnlijke inzicht: ,,Hij is al lang niet meer van mij.''

Siebelink heeft het schrijven van deze roman als `genade' ervaren, zoals hij vertelt terwijl we in de auto rondrijden door het landschap. Siebelink: ,,Dit boek telt zo'n 280.000 woorden. Het is bijna ondenkbaar dat iemand op eigen kracht zoveel woorden in de juiste volgorde rangschikt, zonder dat de zinnen ergens spaak lopen. Ik schreef het in een betrekkelijk korte tijd van zes, zeven maanden. Elke ochtend vroeg opstaan en dan tot tegen het middaguur een hoofdstuk, daarna was ik uitgeput. De volgende dag schoof ik opnieuw aan mijn bureau. Schrijven is voor mij het gruwelijke op gedempte toon weergeven, teder en mooi maken om het dragelijk te houden. Ik moest een personage vinden dat een roman van meer dan vierhonderd bladzijden kan dragen. Net als de oefenaars uit de kring van mijn vader moest ik ook de woorden `willig' maken. Ik maakte de volstrekte radeloosheid van mijn moeder mee, haar vereenzaming, en die ervaring heeft mijn jeugd getekend. Als jongen verlangde ik naar niets anders dan dat mijn ouders samen gelukkig zouden zijn. Maar figuren als Mieras en Steffen verhinderden dat.''

Onlangs gaf Jan Siebelink een lezing op de psychiatrische inrichting Delta bij Poortugaal. Hij deed dat op verzoek van therapeuten van lijders aan godsdienstwaanzin. Zijn verbazing was groot toen hij in een zaal tal van betrekkelijk jonge mensen aantrof. Siebelink: ,,En jongeman van zo'n achtentwintig jaar stond op, hij was knap, had een keurig pak aan. Hij liet weten dat ik met mijn boek zijn jeugd had beschreven. Ik was verbaasd. Zijn vader kan niet veel ouder zijn dan vijftig jaar. Er is dus weinig veranderd. Het bestaat nog steeds.'' Ook is Siebelink geschrokken van de zeer vijandige reacties op zijn boek. Dagelijks krijgt hij brieven, soms wordt een dreigbrief bij hem in de bus gegooid, zonder poststempel. Daarin staat te lezen, helemaal in de taal van de zwarte mannen in de beukenhaag: ,,De grimmigheid van Zijn toorn zal u de kop vermorzelen.''

Kastanjes rapen

Over de Scholenbergsingel verlaten we Velp en zetten koers naar de IJssel. Onderweg wijst Siebelink talloze plekken aan die een betekenis hebben en die, herkenbaar, in de boeken terugkeren. We passeren het landgoed Biljoen, een verbastering van Bouillon, met het ijzeren toegangshek. Er strekt zich een bos met tamme kastanjes uit, de `tammen'. Siebelink: ,,Eens per jaar mochten de armen van het dorp de kastanjes rapen. Het hek ging dan 's morgens vroeg om zeven uur open. Ik wilde graag een volle tas voor mijn moeder halen. 's Nachts ging ik het huis uit, sloop via het weiland het bos in. Opeens werd ik betrapt door een boswachter en moest tot zeven uur wachten. Hij liet me de tas leeggooien ten overstaan van alle Velpenaren.'' Schuin tegenover het hek ligt een fraaie waterpartij. Op een late avond vlak na de oorlog fietsten Jan Siebelink en zijn moeder erlangs. Een feest was gaande met overal fakkels, slingers, boten, prachtig aangeklede mannen en vrouwen. En terwijl Siebelink deze herinnering verwoordt, dient zich alweer een nieuwe aan. In die oorlog reden hij en zijn moeder dwars door het donker naar een boerderij om eten te halen. Op de terugweg naar Velp werden ze door Duitse soldaten aangehouden: ,,Ze schenen met zo'n knijpkat recht in het gezicht van mijn moeder. Ze doorzochten de fietstassen en lieten ons passeren. Aan bonen hadden ze niets. Mijn moeder kwam thuis en toen bleek dat ze in de zoom van haar onderjurk een pakje roomboter had gesmokkeld.''

We bereiken een van de mooiste plekken van deze landstreek, het voormalige veerhuis met de theetuin aan de IJssel. Hier speelt De overkant van de rivier zich af. Siebelink wijst over het water het dak aan van de boerderij bij Lathum, waar zijn vader werd geboren: ,,Voor degenen die van gene zijde komen, dus vanuit het oosten, vertegenwoordigt Velp de wereld van vooruitgang en rijkdom. Daarom begin ik Knielen op een bed violen met de beschrijving van een tocht van oost naar west, vanaf de Duitse grens in de richting van de Veluwezoom.''

Voor het theehuis staan reusachtige kastanjebomen. Ik herinner me uit de boeken dat Siebelink daar beukenbomen van heeft gemaakt. Siebelink antwoordt: ,,Dat klopt. Ik verzin niets, ik hoef alleen maar te kijken en te schrijven. Maar ik schuif met beelden. Kastanjebomen zijn me te massief. Tussen de bladeren daarvan kan ik geen licht laten spelen. Bij de beuk is dat wel mogelijk. Vanaf mijn vroegste jeugd herinner ik me dat ik verpletterd word door indrukken. Ik raakte weleens in paniek. Ik heb deze locaties als de kwekerij, dit veerhuis aan de rivier, mijn ouderlijk huis en de katholieke begraafplaats nodig als merktekens. Anders ben ik bang dat ik mijzelf verlies. En dat mag niet. Als schrijver moet ik mijn verbeeldingswereld streng in toom houden. Dat mijn vader een visioen krijgt in zijn eigen aardse paradijs onder een appelboom, zoiets hoef ik niet te bedenken. Het is er.''

Morgen wordt bekend of `Knielen op een bed violen' genomineerd is voor de shortlist van de AKO-Literatuurprijs.

Het werk van Jan Siebelink verschijnt bij De Bezige Bij, Amsterdam.

www.jansiebelink.nl; www.debezigebij.nl