Daar komen de sprinkhanen

De Duitsers zijn, aan de vooravond van de verkiezingen zondag, bang. Breekt in een globaliserende wereld de `sociale ijstijd' aan? Of is die angst voor het oprukkende kapitalisme overdreven en is de rol van de staat helemaal niet uitgespeeld?

De Duitsers kunnen onverbiddelijk zijn als ze bang zijn, merkte deze week de commentator op van de Frankfurter Allgemeine Zeitung. Dat ondervindt op dit moment vooral de Duitse kanselierskandidaat Angela Merkel. Maandenlang lag Merkel met de oppositionele CDU/CSU en de liberale FDP ver voor in de opiniepeilingen. De race om de bondskanselarij leek gelopen. SPD-kanselier Gerhard Schröder had immers de afgelopen zes jaar zijn belofte niet ingelost om de hoge werkloosheid van vijf miljoen mensen te verminderen. Maar inmiddels begint het erop te lijken dat steeds meer kiezers Angela Merkel en haar partij zondag bij de vervroegde Bondsdagverkiezingen de rug toekeren. Ook al beschouwen de Duitsers de werkloosheid nog altijd als het grootste probleem dat om een oplossing vraagt, een flinke afstraffing lijkt Schröder bespaard te blijven. Sterker, de SPD heeft er de afgelopen weken in de opiniepeilingen elke dag punten bij gewonnen.

Schröder voelt de stemming onder zijn landgenoten haarfijn aan. De Duitsers zijn banger voor de toekomst dan ooit, blijkt uit opiniepeilingen: bang voor het verlies van hun baan, voor hoge prijzen, voor een dalend inkomen en bang voor de afnemende zorg van de staat, die zijn beschermende arm verder terugtrekt. Het is de angst voor de degradatie, die veel Duitsers in de greep heeft – de angst voor de `wending naar minder'.

Met die angsten van bange burgers jongleert Schröder graag en behendig. Dat heeft hij in het verleden bewezen, tijdens de vorige verkiezingen in 2002, toen hij de Duitsers behoedde voor deelname aan de oorlog in Irak. Dat doet hij ook tijdens deze verkiezingscampagne waarin hij de kiezers voorhoudt, dat met de komst in de bondskanselarij van Merkel de `sociale ijstijd' in Duitsland aanbreekt.

Of Schröders strategie opnieuw effect zal sorteren valt te bezien. De kiezers schrikken er in ieder geval voor terug hun steun volmondig aan de oppositie te geven, blijkt uit de peilingen. Merkel en haar ploeg zeggen immers wel openlijk waar het op staat: dat Duitsland bij de hervorming van het Duitse sociale model, van de arbeidsmarkt, het ingewikkelde belastingsysteem, niet stil kán blijven staan. Voor de beoogd minister van Financiën Paul Kirchhof, die pleit voor eenzelfde laag belastingtarief voor iedereen, is daarbij een belangrijke rol weggelegd.

Al vele jaren stagneert de Duitse economie, die ooit het trekpaard van Europa was. De kosten van de Duitse hereniging en de hoge werkloosheid van 11,6 procent van de beroepsbevolking trekken een zware wissel op de overheidsfinanciën. Jaar na jaar overtreedt Berlijn de euro-norm voor het overheidstekort, dat de grens van 3 procent van het bruto binnenlands product niet mag overschrijden. Kanselier Schröder heeft weliswaar een begin gemaakt met het verlagen van de bijstand en de werkloosheidsuitkeringen, maar voor hervormingen op de arbeidsmarkt, de zorg en het belastingstelsel schrok hij terug omdat hij te weinig steun kreeg van zijn achterban.

Zou hervormen onder leiding van Schröder toch minder pijn doen dan hervormen met Merkel in de bondskanselarij, lijken de Duitsers zich bij nader inzien af te vragen. Ook drijft een flink deel van de kiezers af naar de `Linkspartei' van Oskar Lafontaine (ex-SPD) en de oud-communist Gregor Gysi (PDS). Deze twee oud-linkse politici beloven hogere uitkeringen en hogere belastingtarieven voor de rijken. Wist in Nederland Pim Fortuyn met rechts-populistische uitspraken ontevreden kiezers aan zijn protestpartij te binden, in Duitsland zijn het deze linkspopulisten die migranten buiten de deur willen houden en daarmee op 9 à 10 procent van de stemmen kunnen rekenen, zo blijkt uit de peilingen – vooral in het oosten.

Het boek Victory-Kapitalismus. Wie eine Ideologie uns entmündigt van Hans-Peter Bartels is een typische illustratie van het ideologische denken, dat het debat over economische hervormingen in Duitsland al jaren verlamt. De Duitse boekhandels liggen vol boeken met alarmerende titels over de kaalslag van de globalisering en het jungle-liberalisme. De verzamelde werken van Karl Marx vinden nog steeds gretig aftrek.

Victory-Kapitalismus zou als een gedateerde pennenvrucht van een politieke illusionist terzijde worden gelegd, ware het niet dat Bartels, een veertiger, afgevaardigde is in de Bondsdag en geldt als een van de leidende denkers uit de jonge generatie van Schröders regerende SPD. Bartels is er, anders dan de `realo' Schröder, van overtuigd dat de oorzaken van de Duitse crisis in het losbandige kapitalisme liggen. Dat de toenemende macht van het bedrijfsleven de sociale vrede bedreigt, ja zelfs de democratie.

Hij appelleert daarmee aan een diep onbehagen dat bij brede lagen van de Duitse bevolking bestaat – net als bij Fransen, zo bleek bij het `non' in het referendum over de Europese grondwet – over het ongebreidelde neoliberalisme, de globalisering, het Angelsaksische model en over het Europa van de markt. Is het niet de hoogste tijd de K-Frage te stellen, schrijft Bartels, en hij vindt daarmee een gretig gehoor. Linkse kapitalisme-kritiek mag in de 21ste eeuw niet in de mode zijn, schrijft hij, maar `moet de geschiedenis daarom nu aan de economische liberalen worden overgelaten?' Bartels hekelt `primitieve bedrijfseconomen' die de Duitsers met begrippen indoctrineren als `afzien', `neergang' en `downsizing'. Bartels boek is één lange litanie tegen de `neokapitalistische kolonisatie van alle instituten, partijen, programma's en begrippen'. Zelfs de kerken zijn gedwongen zich als `winstcentra' opnieuw te definiëren.

Bartels tapt uit hetzelfde vaatje als SPD-voorzitter Franz Müntefering, die eerder dit jaar internationale investeerders vergeleek met `een zwerm sprinkhanen die op ondernemingen neerdalen, deze kaalvreten en dan verder trekken'. De uitlatingen van de SPD-voorzitter zorgden in Duitsland en het buitenland voor grote ophef. Gevreesd werd dat Münteferings klaroenstoot tot een emotioneel kapitalismedebat zou leiden, dat een negatieve weerslag zou hebben op de prille economische hervormingen van het kabinet en buitenlandse investeerders kopschuw zou maken. Het frappantst was dat driekwart van de Duitsers vond dat Müntefering gelijk had. Ongebreideld winstbejag bedreigt de Duitse democratie, vindt een meerderheid van de Duitse bevolking voor wie, na de grote ontsporing, de verzorgingsstaat van na de Tweede Wereldoorlog hand in hand ging met de opbouw van de democratie.

Anders dan bij de handeldrijvende Nederlanders, zit de tegenstelling tussen kapitaal en arbeid diep geworteld in de genen van veel Duitsers. Dat heeft alles te maken met de lange traditie van Duitsland als industriële samenleving, waardoor een brede arbeidersklasse ontstond met een strijdbare vakbeweging. De natuurlijke argwaan tegenover ondernemers is groot. Pogingen om het Nederlandse overlegmodel (`polderen') te introduceren mislukten jammerlijk. De sociale markteconomie met zijn royale voorzieningen is zo verankerd in de Duitse identiteit, dat hervormingen (lees afslanking) na de kostbare eenwording in 1990 telkens stukliepen op de machtige vakbeweging, die ook sterke tentakels heeft in de Bondsdag.

Maar inmiddels bedreigt het falen van Duitsland, en Frankrijk, om hun arbeidsmarkt aan te passen aan de moderne tijd, het zogeheten `Europese sociale model', waarschuwde deze week André Sapir, Belgisch hoogleraar internationale economie en voormalig topadviseur van de Europese Commissie. De twee landen leveren, door voortdurend op de rem te trappen, een achterhoedegevecht waarmee de hele Europese Unie in gijzeling wordt gehouden. Linkse critici mogen zich beklagen over de onmacht van nationale staten in het globaliserende kapitalisme waarin het grote geld domineert, maar aanpassingen kunnen ook verbeteringen betekenen, die juist nodig zijn om de toekomst van de sociale systemen veilig te stellen. Het is belangrijk dat de Duitsers de nieuwe realiteit waarin we leven onder ogen zien, stelt ook de Duitse socioloog Ulrich Beck. Duitsland staat voor een transformatie en moet zich in de nieuwe wanorde van de wereld hergroeperen. Overheden staan daarbij geenszins met lege handen, zo hebben andere landen inmiddels bewezen, menen verschillende specialisten als Beck, maar ook de Japanner Kenichi Ohmae, een toonaangevend bedrijfsstateeg, de Britse econoom Martin Wolf alsmede de voormalige minster van Ontwikkelingssamenwerking Jan Pronk.

Pronk schreef een bundel persoonlijk getinte essays met de titel Willens en wetens waarin hij zijn gedachten over globalisering heeft neergelegd, maar ook over de rol van de politiek en over drie Nederlanders die zijn denken hebben beïnvloed: de econoom Tinbergen, de sociaal-democraat Den Uyl en prins Claus. Het zijn boeiende essays omdat Pronk met de bagage van zijn lange ervaring als politicus de gevolgen van de globalisering beschrijft voor met name ontwikkelingslanden en omdat hij enkele interessante conclusies trekt. Er zijn vele redenen om marktprocessen argwanend te beschouwen, stelt Pronk vast. Maar Pronk is realist genoeg om te erkennen dat globalisering als motor voor economische groei onontkoombaar is. Hij becijfert dat de wereldhandel in omvang ongeveer twee keer zo snel toeneemt als tien jaar terug. De waarde van de wereldhandel is al zeven jaar op rij sterker toegenomen dan de waarde van de wereldproductie. De groei van buitenlandse directe investeringen is met zo'n 350 miljard dollar vijf keer zo groot als in het midden van de jaren tachtig. Wat betreft handel en investeringen neemt ook het aandeel van de ontwikkelingslanden toe.

Tegelijkertijd is bijsturing van de globalisering nodig, betoogt Pronk, zodat de vruchten van de nieuwe wereldeconomie rechtvaardiger worden verdeeld. De vrije markteconomie mag het krachtigste instrument zijn om de algemene levensstandaard te verhogen, zoals Martin Wolf, econoom en commentator bij de Britse zakenkrant Financial Times overtuigend uiteen zet in het leerzame Why Globalization Works. De instorting van het staatssocialisme tussen 1989 en 1991 heeft volgens hem aangetoond, dat de liberale democratie het enige politieke en economische systeem is dat in staat is duurzame welvaart en politieke stabiliteit te creëren. Maar voor wie, vraagt Pronk, want de globalisering kent naast winnaars ook vele verliezers en levert een nog ongelijker verdeling van de welvaart op, vooral in ontwikkelingslanden.

Pronk breekt daarom een lans voor intensievere internationale samenwerking zodat een betere toegang van ontwikkelingslanden tot de wereldmarkt gegarandeerd kan worden, voor het versterken van publieke internationale instellingen die tegenwicht bieden aan transnationale corporaties en megabanken en voor steun aan bewegingen die strijden voor burgerlijke vrijheden en een civil society. In ieder geval is dit een offensieve agenda. Pronk bijt zich niet vast in de verworvenheden van het verleden, zoals bij zijn geestverwanten in Duitsland zo vaak het geval is.

Mondialisering is geen natuurproces, maar maakbaar, stelt Pronk. Tenslotte waren het overheden die hebben besloten om de remmen van de nationale kapitaalmarkten los te gooien. Zijn pleidooi klinkt idealistisch, maar is niet onrealistisch. Het globaliseringsproces vereist sturing door staten, beaamt ook een liberaal econoom als Wolf. De mate waarin mensen voordeel kunnen halen uit de economische mogelijkheden van een geglobaliseerde wereld, hangt nauw samen met de kwaliteit van de staat.

Hoe overheden erin kunnen slagen de kansen van de mondiale economie te benutten, beschrijft Kenichi Ohmae in The Next Global Stage. De Japanse voormalige topondernemer, nu hoogleraar bedrijfsstrategie, behandelt aan de hand van de ontwikkeling van economische hotspots in de wereld – van het Chinese Dalian tot Ierland en Finland – helder en inzichtelijk hoe overheden economische processen zo goed mogelijk kunnen benutten. Kapitaalinjecties voor jonge bedrijven, massale introductie van computers met internet in de klas, grootscheepse investeringen in de telecommunicatie als de industrie van de toekomst dat is slechts een greep uit een scala aan overheidsinstrumenten om de economie te beïnvloeden.

Kanselier Schröder weet dat ook, al speelt hij nu handig in op de angst voor de sociale ijstijd van het Duitse electoraat. De nieuwe, grenzeloze economische realiteit van vandaag vereist nieuw denken over de rol van de staat, stelt Ohmae. Downsizing (`afslanken') van ondernemingen hoeft geen sociale ramp te zijn, mits de overheid zorgt voor de verliezers, ze financieel steunt, en vooral omschoolt zodat ze elders weer aan de slag kunnen, zoals in Denemarken gebeurt. In de mondiale economie draait alles om menselijk kapitaal: goed opgeleide werknemers, op de werkvloer, in de computerkamer, in de professionele dienstverlening. Daarin moeten overheden investeren. Europa heeft daarbij, volgens deze econonoom, door de al bestaande bundeling van economische krachten, een uitstekende startpositie.

Dat klinkt hoopvol en dat op een moment dat Europa zich in een diepe malaise bevindt. De Europese Unie wordt door tegengestelde belangen en instituties verlamd, menen de socioloog Ulrich Beck en politicoloog Edgar Grande in Das kosmopolitische Europa. Vijftig jaar lang heeft Europa gefunctioneerd, maar het achterhaalde concept van integratie deugt volgens beide wetenschappers niet meer, omdat de globalisering en de uitbreiding met de landen van Oost-Europa de situatie ingrijpend hebben veranderd.

Met nationale nostalgie schiet Europa niets op, schrijft het tweetal, dat een lans breekt voor het kosmopolitische Europa. Alleen economische integratie is niet genoeg. Europa als een grote supermarkt schiet volgens beide wetenschappers tekort, want markten hebben voortdurend politieke correctie nodig, betogen ook zij. Verdere europeanisering is volgens Beck en Grande een voorwaarde voor Europese landen om de globalisering te kunnen overleven. Zij pleiten echter niet voor integratie van bovenaf, maar horizontaal. Via onderlinge netwerken van burgers, bedrijven en instellingen kan Europa haar positie versterken. Ondernemingen doen dat allang, zoals blijkt uit de afname van nationale fusies, maar de verdubbeling van transnationale (Europese en internationale) fusies. In het Europa van Beck en Grande zouden een sterke overheid en nieuwe vormen van horizontale samenwerking en integratie de lidstaten sterker maken, om zo de risico's in de moderne wereld beter te kunnen beheersen. Anders dreigt duurzame stagnatie of valt de Unie uiteen.

Het lijkt een passende opdracht voor een nieuwe regering in Berlijn, of die nu wordt aangevoerd door Merkel of Schröder. Christen-democraten noch sociaal-democraten lijken met een kleinere coalitiepartner, de liberalen of de Groenen, in staat de meerderheid te halen – als gevolg van de opkomst van de Linkspartei. Het is de vraag of dat bezwaarlijk is. Is niet juist een grote coalitie van beide volkspartijen nodig, zodat er eindelijk een breed draagvlak ontstaat voor de hervormingen, die al sinds de hereniging nodig zijn?

Hans-Peter Bartels: Victory-Kapitalismus. Wie eine Ideologie uns entmündigt. Kiepenheuer & Witsch, 229 blz. €11,30

Kenichi Ohmae: The Next Global Stage. Challenges and Opportunities in Our Borderless World. Wharton School Publishing, 272 blz. €27,95

Jan Pronk: Willens en wetens. Gedachten over globalisering en politiek. Bert Bakker, 285 blz. €18,95

Martin Wolf: Why Globalization Works. The Case for the Global Market Economy. Yale University Press, 320 blz. €18,60

Ulrich Beck en Edgar Grande: Das kosmopolitische Europa.

Suhrkamp, 393 blz. €22,86

    • Michèle de Waard