Belgen durfden gewoon minder

Ruim twee jaar geleden verscheen het boek Nederlandse fotografen, een anthologie 1852-2002. Een initiatief van het Fotomuseum Den Haag, dat het eerste echte overzicht te zien gaf van honderdvijftig jaar fotografie in Nederland. Het werd hartelijk verwelkomd, er zijn inmiddels 5.500 exemplaren van verkocht en dat heet een succes in dit genre.

België wil natuurlijk niet achterblijven en daarom pakt nu het FotoMuseum in Antwerpen met zijn eigen canon uit. Voor het boek Belgische fotografen 1840-2005 zijn 157 fotografen geselecteerd. Op basis van kwaliteit, schrijft de Antwerpse museumdirecteur in de inleiding, en van representativiteit voor een `specifieke fotografische praktijk, een bijzondere thematische invalshoek of een bepaalde esthetische positionering' – experimenteerlust, eigenzinnige thematiek en schoonheid, dus.

Bij het bekijken van de omslag vraag je je meteen af of er zoiets als Belgische fotografie bestaat. Natuurlijk niet, ook in dit land vestigden zich vreemdelingen met fotografische ambities, ook hier ontkiemden dezelfde nieuwe, internationale ontwikkelingen, en ook hier lieten vroege fotografen graag zien hoe ze met de schilderkunst konden wedijveren. Onder die ruim vertegenwoordigde `picturalisten' valt onder anderen `Mevr. Pattyn' op, die in 1924 een Vermeer-achtig tafereel vastlegde – met een oude heer die, zittend bij het venster, een glas krijgt ingeschonken van een meisje in schort. Schilderachtiger fotograferen kan bijna niet, vandaar dat Mevr. Pattyn destijds in tijdschriften alle lof kreeg toegezwaaid. En toen verdween ze compleet uit het zicht, zonder zelfs maar een sterfdatum achter te laten.

De rijke Luxemburger Joseph-Ernest Buschmann (1814-1853) heeft zo'n zelfde `roman'-leven geleid. Hij was in Antwerpen druk in de weer als drukker en uitgever, dichter en schilderijen-verzamelaar, en hij móest en zóu ook nog met de fotografie aan de slag. Hij `ging het wel eens even gaan maken', vertelt zijn stoere zelfportret. Dat liep anders, Buschmann kwam in een inrichting terecht, stierf er jong, gesloopt door zijn mateloze bedrijvigheid, maar hij hield er wel de reputatie aan over van een visionaire sleutelfiguur in de fotografische `Middeleeuwen' van België.

En zo biedt dit boek 157 alfabetisch gerangschikte, meer of minder interessante biografieën – in de Nederlandse versie staan er 226 –, steeds gecompleteerd met een pagina-grote foto plus soms een kleinere opname. De Belgische canon legt meer nadruk op het verleden, op topografische fotografie, wat niet wil zeggen dat de eigentijdse fotografie – Dirk Braeckman, Carl de Keyzer, Michel François, Chantal Maes – als bijzaak wordt afgedaan. Inleiding en biografische teksten zijn vaak hoogdravender geschreven dan in de Nederlandse versie, en daarom ontoegankelijker. Genres als `reclame', `mode', `architectuur' of `portretten' worden als specialisatie niet bij de biografieën vermeld en de schematische verwijzigingen naar verwante collega's, die in het Nederlandse boek van pagina naar pagina inzichtelijke verbanden te zien geven, komen in deze Belgische pendant evenmin voor. De Belgen hebben er gewoon minder werk van gemaakt. En de eerlijkheid gebiedt te zeggen dat ze dat in anderhalve eeuw fotografie ook hebben gedaan. Misschien een voorbarige conclusie op basis van maar één canon en van vaak maar één foto per fotograaf, maar het allround beeld van de Nederlandse fotografie, zoals in 2002 geboekstaafd, is avontuurlijker, experimenteler, caleidoscopischer en soms ook banaler dan dat van de zuiderburen. Zou er dan tóch zoiets als typische Belgische en typische Nederlandse fotografie bestaan?

Belgische Fotografen 1840-2005. Ludion, 318 blz. euro 24,50. T/m 18/9 gelijknamige expositie in FotoMuseum Antwerpen

    • Marianne Vermeijden