Snel dotteren onnodig bij bijna-infarct

Mensen die met een dreigend hartinfarct in het ziekenhuis worden opgenomen, hoeven niet binnen één of twee dagen te worden gedotterd. Behoedzaam afwachten is net zo goed.

Deze uitkomst van een groot Nederlands onderzoek zet de geldende behandelrichtlijnen in de westerse wereld op losse schroeven.

De vanuit het Academisch Medisch Centrum (AMC) in Amsterdam opgezette en gecoördineerde studie werd uitgevoerd in 42 Nederlandse ziekenhuizen en is vandaag gepubliceerd in het vooraanstaande Amerikaanse medisch-wetenschappelijke tijdschrift The New England Journal of Medicine.

Jaarlijks belanden alleen al in Nederland ruim 20.000 mensen met een dreigend infarct in het ziekenhuis. Ze hebben ernstige pijn op de borst en voelen zich erg benauwd. Op het elektrocardiogram is geen echt hartinfarct te zien, wat betekent dat er geen slagader rond het hart helemaal verstopt is geraakt met bloedstolsel. Maar er is wel een gedeeltelijke afsluiting van de hartslagader en in het bloed circuleert een stofje (troponine T) dat duidt op schade aan hartspieren.

,,Deze patiënten zijn de bread and butter van de cardiologie'', zegt AMC-cardioloog en onderzoeksleider Robbert de Winter. ,,Iedere afdeling cardiologie heeft altijd een paar van die patiënten opgenomen liggen. De belangrijke vraag is of je die mensen snel moet dotteren, of dat je kunt afwachten.''

Onderzoek dat de afgelopen tien jaar is gepubliceerd liet zien dat snel dotteren – zoals gebeurt met patiënten die een écht, acuut hartinfarct doormaken – ook bij een dreigend infarct de beste aanpak was. Dat advies staat ook in de nieuwste richtlijnen. De Winter: ,,Maar als je gedetailleerd naar die onderzoeken keek, ontdekte je dat er met twee maten was gemeten en dat de optimale medicijnbehandeling niet was getest.''

Van 1.200 mensen met een dreigend infarct kregen – door het lot bepaald en als hun medische toestand dat toeliet – ongeveer 600 patiënten binnen 48 uur een dotterbehandeling, waarbij in het deels afgesloten bloedvat het stolsel met een ballonnetje wordt weggedrukt. De andere 600 mensen kregen optimale medicatie en werden `behoedzaam geobserveerd'. Indien nodig werden ze later alsnog gedotterd.

Het resultaat na een jaar was dat 80 procent van de `vroege' groep was gedotterd, tegen bijna 55 procent van de `afwachters'. Na dat jaar waren in beide groepen evenveel patiënten overleden (2,5 procent) en ook verder waren er weinig verschillen. In de Nederlandse praktijk bespaart `afwachten' ongeveer 2.500 dotterbehandelingen per jaar, maar de patiënten die niet worden gedotterd komen wat vaker naar het ziekenhuis.

De slotconclusie is dat snel ingrijpen of behoedzaam afwachten niet uitmaakt. ,,Beide behandelingen zijn verdedigbaar en je kunt het dus laten afhangen van de voorkeur van de patiënt of van de arts, of van de beschikbare faciliteiten'', aldus De Winter. ,,De laatste jaren was het idee ontstaan dat ziekenhuizen zonder dotterfaciliteit hun patiënten met een dreigend hartinfarct snel moesten verplaatsen naar één van de 18 dottercentra in Nederland. Als je dat niet deed bedreef je eigenlijk slechte geneeskunde. Dat is dus niet meer zo.''