Politiek moet snel af van excuus-circus

Al onder de paarse kabinetten is de `sorry-democratie' ontstaan. In een toenemend aantal grote affaires (de wissewasjes laten we nu maar buiten beschouwing) waarin de Kamer, bewust of onbewust, onjuist, onvolledig, ontijdig of onzorgvuldig werd geïnformeerd, is het gebruikelijk geworden dat ministers gemaakte fouten toegeven, daarvoor hun excuses aanbieden en vervolgens over gaan tot de orde van de dag. De Kamer die als regel in eerste termijn hoog van de toren blaast (in een aantal gevallen was er zelfs een vernietigende enquête gehouden) buigt dan, zeker als er coalitiebelangen op het spel staan, in tweede instantie deemoedig het hoofd. En de zoveelste affaire loopt dan strijk en zet met een sisser af.

Eén van de beruchtste affaires tijdens Kok I en II betrof de val van Srebrenica toen cruciale informatie over massa-executies onder de pet werd gehouden. Pas zeven jaar na datum, toen het langverwachte NIOD-rapport verscheen trad het kabinet-Kok II, aan de vooravond van de verkiezingen af. Minister Voorhoeve, destijds de eerstverantwoordelijke, kwam pas 10 jaar later tot de overtuiging dat hij eigenlijk onmiddellijk had moeten terugtreden. De parlementaire enquêtecommissie over dit onderwerp kwam tot de conclusie dat de top van de Nederlandse Landmacht weliswaar relevante informatie had achtergehouden maar dat dit niet gebeurde uit onwil maar uit onkunde. Een schrale troost.

De sorry-cultuur onder Paars heeft in hoge mate bijgedragen aan de ontluisterende wijze waarop deze coalitie destijds in rook is opgegaan. Door zo stelselmatig de grondbeginselen van de ministeriële verantwoordelijkheid te negeren hebben Kamer en kabinet voedsel gegeven aan de kloof tussen de burgers en de politiek die zich, mede door toedoen van Fortuyn, in 2002 aftekende.

Toen het kabinet-Balkenende I vervolgens aantrad was het ,,herstel van vertrouwen tussen burgers en overheid'', begrijpelijkerwijs, één van de belangrijkste doelstellingen. Maar ook onder Balkenende ging de erosie van de ministeriële verantwoordelijkheid door. In tal van debatten (de Margarita-affaire, ontsnapte tbs-ers, persoonsbeveiliging van Kamerleden, de moord op Theo van Gogh, de nevenfuncties van Veerman) liepen de gemoederen in de Kamer hoog op maar kwamen de ministers met de schrik vrij. ,,Ik heb mijn verantwoordelijkheid genomen'', zei Veerman, de nieuwste variant op de sorry-cultuur want hij bleef gewoon zitten. ,,Slordigheden'', vergoelijkte premier-Balkenende, alsof van ministers niet verwacht mag worden dat zij het `blauwe boekje' met gedragsregels kennen.

Er is in Den Haag van lieverlede een zekere affairemoeheid ontstaan. Veel affaires zijn natuurlijk ook wissewasjes, soms uitvergroot door de media. Maar sommige (te veel) zijn levensgroot en dan gaat het niet aan om de media de schuld te geven. De aan het licht getreden `tunnelvisie' van het OM in de Schiedamse moordzaak is er zo één. Kan er iets ergers gebeuren in onze rechtsstaat dan dat een verdachte meer dan vier jaar onschuldig wordt opgesloten terwijl velen, naarmate de tijd versteek, weten dat het zo is? Een aaneenschakeling van fouten, concludeert het onderzoeksrapport, maar er was geen opzet in het spel. Dat moest er nog bij komen ook.

Wie anders dan de minister kan daarop worden aangesproken? Gelukkig is het in ons staatsbestel zo geregeld dat de minister verantwoordelijk is, ook voor ambtelijke fouten en nalatigheden. De ministeriële verantwoordelijkheid is de zweepslag voor de ambtelijke dienst. Het is het enige instrument waarover het parlement beschikt om een ambtelijke tunnelcultuur open te breken. De vraag of een minister goed is of niet (Donner is misschien wel de beste minister) doet niet terzake. Zo min als de vraag of hij persoonlijk bemoeienis met de kwestie heeft gehad (natuurlijk niet, zou ik zeggen). Ook excuses zijn niet toereikend. De vraag is of het parlement nog betekenis toekent aan de ministeriële verantwoordelijkheid.

Het herstel van het vertrouwen van de burger in de overheid was na de deconfiture van Paars de belangrijkste opdracht waarvoor het kabinet-Balkenende werd gesteld. De opdracht van nu reikt nog verder: het gaat om het geschokte vertrouwen in onze rechtsstaat. Het is een Kamerbreed belang (en niet alleen van de oppositie) dat daarmee op overtuigende wijze wordt omgesprongen. De Kamer – en niemand anders – moet zijn verantwoordelijkheid nemen.

Ed van Thijn is oud-fractievoorzitter van de PvdA in de Tweede Kamer, oud-minister en auteur van `De Sorry-democratie' (1998) en `De informatie-paradox' (2004).

    • Ed van Thijn