Nederland moet handelen in kennis

Het voorstel van PvdA-fractieleider Wouter Bos om universiteiten en hogescholen gelijk te stellen leidt tot verkleining van de mogelijkheid voor studenten om een opleiding te volgen die hun talenten maximaal tot hun recht laten komen, menen Gerard Meijer en May-May Meijer.

Het hoger onderwijs moet radicaal veranderen vindt Wouter Bos (Opiniepagina, 7 september). Hij wil meer ruimte scheppen voor professionals en niet langer elk probleem oplossen met een `stelselherziening'. Het klinkt lovenswaardig, maar toch een paar kanttekeningen.

Zo vragen wij ons af waarom Bos zo hecht aan meer macht en keuzevrijheid voor studenten. Zij praten al mee over het universitaire beleid in de medezeggenschapsraden van de universiteit en het kost nu al de nodige moeite om voldoende kandidaten te vinden voor deze posities. Wat betreft de invloed van studenten op hun vakkenpakket: nagenoeg elke opleiding laat studenten ruimte voor het kiezen van keuzevakken. Het is onverstandig om studenten zelfstandig hun eigen vakkenpakket bij elkaar te laten shoppen, juist omdát professionals met alle zorg het curriculum van de opleiding samenstellen.

Met het voorstel van Bos om universiteiten en hogescholen gelijk te stellen verkleint hij de mogelijkheid voor de student om een opleiding te volgen waar haar/zijn talent maximaal tot zijn recht komt. Op dit moment bestaat tussen hogescholen en universiteiten een niveauverschil. Het bestaan én de herkenbaarheid van dit niveauverschil zijn in het belang van zowel de studenten als de toekomstige werkgevers. Het eindexamendiploma (havo/vwo) is een prima selectiemiddel dat toegang verschaft tot één van beide typen.

En passent vermeldt hij dat hij geen moeite heeft met een grote variëteit aan diploma's. Het lijkt of hij vergeten is dat net het bachelor-master stelsel is ingevoerd dat tot doel had de vergelijkbaarheid van de graden in het hoger onderwijs te vergroten.

Bos merkt terecht op dat Nederland niet kan concurreren met de lagelonenlanden door middel van loonmatiging. Wij moeten het hebben van slimheid (kenniseconomie) en daarvoor is onderwijs nodig. Hij merkt op, dat in China jaarlijks 600.000 goedopgeleide ingenieurs bijkomen, die met heel weinig salaris genoegen nemen. Met dit argument zou je kunnen betwijfelen of Nederlandse slimheid ons voldoende in staat stelt te concurreren. Waarom zou onze slimheid het kunnen winnen van de veel goedkopere slimheid van anderen?

De Nederlandse universiteiten zijn al de weg ingeslagen van een sterke internationalisering. Chinese studenten en promovendi worden in groten getale opgeleid aan West-Europese universiteiten. Dit geldt vooral voor de technische universiteiten, die te maken hebben met een veel te kleine instroom van Nederlandse studenten. Op de afdeling micro-elektronica van de Technische Universiteit Delft bestaat ongeveer 70 procent van de onderzoekers uit buitenlanders, van wie veel uit China. Na hun promotie blijft een deel van hen in Nederland en draagt rechtstreeks bij tot onze economie. Een ander deel gaat terug naar het eigen land en is van veel belang voor onze samenwerking met die landen. De universiteiten hanteren allang het adagium `If you cannot beat them, join them'. De politiek is hier nog steeds niet aan gewend en laat zich nog vaak verstrikken in wereldbeelden van wenselijkheden van beperkt nationaal belang.

Het zou goed zijn, om de plannen voor ons onderwijssysteem te herschrijven met het oog op de verregaande internationalisering. Het zou wenselijk zijn om het `If you cannot beat them, join them' uit te werken en ons onderwijssysteem zodanig aan te passen dat wij een goede partner kunnen vormen. Uiteraard beogen wij partnership dat tot wederzijds voordeel strekt.

Zo kunnen we pas écht concurreren met andere landen. Neerlands oeroude talenten in het leggen van internationale contacten komen dan goed van pas. Het gebruik van deze talenten beperkt zich niet tot handeldrijven; het vermogen tot samenwerken is van uitzonderlijk groot belang bij het ontwikkelen van een complexe maatschappij, de ontwikkeling van complexe producten en het ontdekken en ontwikkelen van nieuwe concepten.

De door Wouter Bos bepleitte ruimte voor experimenten is belangrijk. Maar dat is niet genoeg. Ook de politiek heeft een belangrijke taak. Die moet maatregelen nemen om de samenwerking tussen Nederlandse en buitenlandse universiteiten te bevorderen. Bijvoorbeeld ervoor zorgen dat onze buitenlandse talenten hier kunnen verblijven, dat ze niet geplaagd worden met vervelende regelingen en hoge kosten voor verblijfsvergunningen.

Ook op universitair en gemeentelijk niveau valt veel te doen: de universiteiten moeten zorgen voor passende onderwijsprogramma's en energie steken in het aangaan en onderhouden van internationale contacten. Gemeenten moeten er voor zorgen dat passende woningen beschikbaar zijn voor onze gasten.

Verbeteren van de kwaliteit van het hoger onderwijs en internationale samenwerking kost tijd, energie en geld. Zoals Wouter Bos terecht opmerkt: investeren is nodig maar niet voldoende. Het scheppen van ruimte voor veranderingen in het hoger onderwijs is ook nodig, maar evenmin voldoende. Er moeten ideeën komen en plannen ontwikkeld worden over wat we met onze investeringen wensen te bereiken.

Prof. dr. ir. Gerard Meijer is hoogleraar bij de afdeling Micro-elektronica & Computer Engingeering van Technische Universiteit Delft.

Dr. May-May Meijer is universitair docent bij de werkgroep Filantropie van de Vrije Universiteit.

www.nrc.nl/opinie Artikel Wouter Bos

    • Gerard Meijer
    • May-May Meijer