`Maatregelen tegen agenten parkmoord'

Minister Donner (Justitie, CDA) vindt dat burgemeester Opstelten van Rotterdam moet ,,doen wat geboden is'' tegen de politieambtenaren die in de zaak-Nienke een 11-jarig medeslachtoffer ,,onfatsoenlijk'' hebben verhoord.

De minister schrijft dat in antwoord op vragen van de Tweede Kamer. Vanmiddag zou de minister debatteren met de Tweede Kamer over de zaak van de in een Schiedams park vermoorde Nienke. Volgens Donner is ,,het treffen van maatregelen een verantwoordelijkheid van de korpsbeheerder''.

Uit een evaluatieonderzoek van het openbaar ministerie afgelopen dinsdag bleek dat politie en justitie een aaneenschakeling van fouten hebben gemaakt waardoor verdachte Cees B. jarenlang onschuldig vastzat.

In het evaluatieonderzoek staat dat Maikel, die in juni 2000 ook bijna was vermoord, ,,onfatsoenlijk'' is behandeld. Het Kamerlid Van Haersma Buma (CDA) heeft laten dat hij dat onderdeel ,,het ergste'' vond van het hele rapport.

Uit de antwoorden van Donner blijkt ook dat de minister al in januari 2003 een rapport kende van rechtspsycholoog Van Koppen waarin stond dat er te weinig bewijs was voor de veroordeling van B. Donner heeft nooit gebruik gemaakt van zijn bevoegdheid om de procureur-generaal nader onderzoek te laten doen. Die beslissing, schrijft hij, stond ,,los van het feit dat ik mij in beginsel niet bemoei met individuele zaken''.

Pas na de arrestatie van Wik H., in juli 2004, van wie het DNA overeenkwam met de sporen die in de zaak van het vermoorde meisje waren ontdekt, is Donner zich actief met de zaak gaan bemoeien. In december 2004 heeft hij bij het college van procureurs-generaal ,,aangedrongen op een gedegen onderzoek''. Donner schrijft in zijn brief aan de Kamer ook dat hij de kans klein acht dat de `dwalingen' van politie en Justitie in deze zaak aan het licht gekomen waren zonder de bekentenis van Wik H.

In zijn antwoorden verwijst Donner een paar keer naar het `verbeterprogramma' dat hij meteen na het verschijnen van het evaluatieonderzoek had aangekondigd. Bij `kapitale delicten' moet volgens hem een vorm van `tegenspraak' worden georganiseerd bij de officier van Justitie die de zaak behandelt. Ontlastende omstandigheden zouden daardoor beter op waarde kunnen worden geschat. Ook bij de politie zelf zou die tegenspraak georganiseerd moeten worden. En de politie moet het beheer van stukken en sporenmateriaal beter gaan regelen. Verder vindt Donner dat de officieren van justitie meer moeten leren over forensisch onderzoek en over het tactische recherchewerk. Hij vindt ook dat er in opleidingen meer aandacht moet worden besteed aan de theorie en de praktijk van het verdachtenverhoor en aan het verschijnsel valse bekentenis.

Volgens Donner is er bij het OM geen sprake van een `crimefightermentaliteit' waarbij het resultaat belangrijker is dan wet en recht. Hij vindt wel dat er in het `verbeterprogramma' speciale aandacht zou moeten zijn voor de rol van de officier van justitie als leider van het opsporingsonderzoek. Die moet, schrijft hij, ,,niet één worden met de politie''. ,,De betrokkenheid moet op een zekere afstand plaatsvinden. Dat komt de kritische blik ten goede.''

Tweede-Kamerlid Aleid Wolfsen (PvdA) zei gisteren dat hij in het debat met Donner de `waarborg' zou vragen dat de fouten uit deze zaak niet opnieuw worden gemaakt.