`Ik wil Amsterdam niet levend uit'

Vorig jaar liet een suïcidale Duitser zich door de politie in Amsterdam doodschieten. Hij vuurde vijfmaal met een alarmpistool op agenten, die 21 keer terugschoten. Een reconstructie.

De 20-jarige Duitser Michael Dautzenberg werd zondag 8 augustus 2004 op het Fredriksplein in Amsterdam door politiekogels gedood. Zeven agenten vuurden op een plein vol burgers, vlakbij spelende kinderen, op een jongen met, naar later blijkt, een alarmpistool. Het is het eerste geregistreerde geval van zelfmoord door politievuur. Direct na het incident is door de Rijksrecherche, onder leiding van officier van justitie K. van der Schaft, een onderzoek gestart.

Om de identiteit van de betrokkenen te beschermen weigert het openbaar ministerie NRC Handelsblad inzage te geven in het rapport van de Rijksrecherche. Een beroep op de Wet openbaarheid van bestuur resulteert na bemiddeling van het College van procureurs-generaal in een gesprek met Van der Schaft en politiecommissaris W.van Dijk, politiecommandant van het eerste district, waar de schietpartij plaatsvond. Het gesprek vindt plaats op het parket in Amsterdam. Een reconstructie.

Op de Zeeburgerdijk in Amsterdam verleent zaterdag 7 augustus 2004 rond zes uur 's ochtends de bestuurder van een huurauto geen voorrang. Hij rijdt een andere auto aan. De agent die proces-verbaal opneemt, wordt zo door een van de bestuurders geprikkeld, dat hij het klipje van zijn pistoolhouder opent. De bestuurder die de agent prikkelt is de 20-jarige Michael Dautzenberg uit Neurenberg.

De volgende nacht om drie uur komt een jongeman bij het bureau Ferdinand Bolstraat. Hij wil inlichtingen over zijn weggesleepte auto. De dienstdoende agente zoekt op de computer naar informatie wanneer de jongen onverwacht een pistool op haar richt. Zij duikt achter de balie en de jongen verlaat het bureau. Uit de computergegevens blijkt dat het om Dautzenberg gaat. Zijn mobieletelefoonnummer is bekend en de rechter-commissaris geeft toestemming tot een spoedtap. Er is ook contact met de moeder van de jongen. Zij heeft kort geleden nog met haar zoon gesproken. Uit dat telefoongesprek heeft ze niet de indruk gekregen dat hij in de war is. Ze weet niet beter of Michael komt ,,morgen'' terug.

Voor de politie blijft het een verwarde en zeker vuurwapengevaarlijke jongeman. Dat lijkt gefundenes Fressen voor het arrestatieteam (AT). Het AT zit op de Plantage Middenlaan, vlakbij het Fredriksplein. Het wordt echter niet in stelling gebracht omdat niemand weet waar Dautzenberg is. ,,Het had best een week kunnen duren voordat we hem hadden gevonden'', zegt Van Dijk. Om Dautzenberg te vinden worden die nacht 99 hotels gebeld. Ook stuurt de politie rond zes uur 's ochtends een sms-bericht naar het nummer van zijn gsm om te zien of ze hem kunnen peilen, maar het toestel staat uit.

Zondag 8 augustus om 12.45 uur komt iemand op bureau Ferdinand Bol met de melding dat hij in de Pijnackerstraat een Duitse kentekenplaat heeft gevonden. De agent die dit hoort, denkt aan de melding van die nacht en gaat ernaartoe. In de Pijnackerstraat vinden ze schadeformulieren gedateerd zaterdag 7 augustus 2004 en een brief van vier kantjes met moeilijk leesbare, handgeschreven tekst in het Duits. De aanhef luidt ,,Hallo''. Het is een afscheidsbrief waarin Dautzenberg schrijft al vanaf zijn veertiende dood te willen. Hij wil Amsterdam niet levend verlaten, schrijft hij, en is desnoods bereid daartoe geweld te gebruiken. De agent geeft deze brief om 14.00 uur aan de recherche.

Om ongeveer 16.45 uur belt iemand het alarmnummer 112. De beller zegt informatie te hebben over de man die met een pistool de politie die nacht heeft bedreigd. Na enig doorvragen van de meldkamer geeft de beller toe dat hijzelf die bedreiger is. Hij zegt dat hij de politie wil ontmoeten en beaamt dat hij zijn wapen nog heeft. Waarom hij niet naar het bureau komt, wil hij niet vertellen. Hij wil de politie ontmoeten ,,bij de telefooncel op het Frederiksplein''.

De centralist vraagt om agenten in burger aan de twee politiebureaus aan weerszijden van het Fredriksplein: Ferdinand Bolstraat en Prinsengracht. Die moeten zo onopvallend mogelijk de situatie in ogenschouw nemen en doorgeven wat ze zien. Intussen zou dan het AT kunnen worden gewaarschuwd. Dat kan na een halfuur ter plekke zijn en de jongen aanhouden. Alleen, er zijn geen agenten in burger. Die zondag zijn in de stad twee evenementen gaande. De risicowedstrijd Ajax-Utrecht trekt supporters naar de binnenstad en bij de Stopera is een afsluitend feest van de Gay Parade. Door die drukte zijn er geen agenten in burger op de bureaus. Dan gaan er maar geüniformeerde agenten heen, besluit de centralist. Dautzenberg moet zo snel mogelijk aangehouden worden.

Twee agenten vertrekken uit bureau Ferdinand Bol, twee collega's van hetzelfde bureau worden per mobilofoon naar het plein gedirigeerd en twee agenten van de Prinsengracht worden via de meldkamer op hun gsm opgeroepen. Ook een in de buurt rijdend VRT-voertuig (verscherpt rijdend toezicht), een Mercedes-jeep bestuurd door een hulpofficier van justitie, wordt opgeroepen.

De centralist weet dat er voor de voetbalwedstrijd een speciale orde-eenheid in de buurt is en geeft over de mobilofoon door wat er op het plein aan de hand is. Niet met de bedoeling die eenheid naar het plein te dirigeren, maar als waarschuwing. Ook agenten in het busje van het quick response team, die het feest bij de Stopera in de gaten houden, horen de melding. Er gaan niet alleen agenten naar het plein die door de centralist zijn `aangestuurd', maar ook agenten die uit eigen beweging op de melding reageren. Geen van hen weet dat zij met zestien collega's in en bij het plein zijn. Met de wijsheid achteraf is duidelijk dat voorkomen had moeten worden dat zoveel agenten naar het plein gingen.

In het park zitten een oudere man en vrouw op een bankje. Een echtpaar op de fiets met twee kinderen en andere passanten bevinden zich in de directe omgeving van Dautzenberg, die op een bankje zit. Terwijl hier en daar agenten uit politieauto's stappen en hun kogelvrije vesten aantrekken, stappen twee agenten op de Duitser af. Hij staat op en houdt een hand achter zijn rug. In het Nederlands en het Engels roepen de agenten: ,,Laat je handen zien'' en ,,Laat je wapen vallen''. De jongen haalt zijn hand tevoorschijn. Hij houdt een wapen vast en begint te vuren. De agenten zoeken dekking en beantwoorden het vuur. Het eerste salvo klinkt.

Dautzenberg heeft ten hoogste vijf keer een schot gelost wanneer de hand waarmee hij schiet, wordt geraakt door een politiekogel. De kogel verwondt pink en ringvinger en dringt door in het magazijn van zijn wapen, een niet van echt te onderscheiden Sig Sauer gasalarmpistool of Schreckschusswaffen. Dat het wapen daardoor onklaar is geraakt, weten de agenten niet.

Het VRT-voertuig rijdt op Dautzenberg in, maar komt vast te zitten in de struiken. Later vindt de technische recherche bloedspatten van de jongen op het voertuig. Dautzenberg rent weg en komt in de bosjes ten val. Hij staat op en rent verder. Een getuige zegt dat Dautzenberg een snel groter wordende bloedvlek onder zijn oksel had toen hij wegrende. ,,Waarschijnlijk was hij toen hij wegrende al dodelijk geraakt'', zegt Van der Schaft. Dat is niet te zien door de tweede groep schutters, agenten van het quick response team. Ook kunnen zij niet zien of hij nog een wapen vasthoudt.

Het alarmpistool wordt gevonden in de bosjes waar hij ten val kwam. Bij de basket op het pleintje, nog geen tien stappen verder, klinkt het tweede salvo. Onbekend is of hij bij dat salvo nog is geraakt. Dautzenberg zakt ineen. Hij is geraakt door twee kogels in zijn borst waarbij zijn hart en slagader zijn geraakt. Ook wordt hij getroffen in zijn kuit, arm en hand. Hij sterft door ,,massaal bloedverlies''. Een toevallig aanwezige chirurg constateert de dood.

Er zijn 21 kogels verschoten, waarmee deze schietpartij in verschoten munitie in de topdrie zit van 1978 tot heden. Zeven agenten hebben geschoten, variërend van één tot zes keer. Tijdens de schietpartij wordt onder meer de fiets van het echtpaar met de twee kinderen geraakt, in een fietstas wordt een kogel gevonden. Een kogel wordt aangetroffen op 1,38 meter hoogte in een raam.

Circa veertig mensen, burgers en agenten, worden over het incident gehoord. Om de schijn van partijdigheid te vermijden krijgt Van der Schaft de opdracht het onderzoek te leiden. Hij werkt niet binnen het politiedistrict waar is geschoten. Om dezelfde reden assisteert de technische recherche van buiten Amsterdam bij het onderzoek. Wanneer uit getuigenverklaringen blijkt dat de drie agenten die het tweede salvo hebben gelost mogelijk op een ongewapende verdachte hebben geschoten, worden zij gehoord als verdachte. Er zijn uiteindelijk geen redenen hen te vervolgen.

Het incident wordt opgenomen als casus voor de Integrale Beroepsvaardigheidstrainingen van de politie en is besproken in het landelijk overleg van vuurwapendocenten. ,,De informatie-uitwisseling tussen het onderzoeksteam en de meldkamer en de communicatie naar de eenheden had beter gekund'', stelt de politie vast. De meeste voertuigen die door de meldkamer inzetbaar zijn, zijn inmiddels voorzien van GPS, waardoor de centralist weet waar de voertuigen zich bevinden.

Een paar agenten hebben hulp gezocht om het incident te verwerken. Allen zijn gewoon in dienst. Alle zeven politieschutters hebben daags na het incident een nieuw wapen gekregen. De moeder van Michael Dautzenberg wil geen contact met de pers.

    • Hans Moll