`Vragen weggeredeneerd'

Mr. M.T. Renckens (1953) behandelde vaker geruchtmakende zaken. Zij was officier van justitie in de `balpenmoordzaak'. De vermeende dader Jim T. werd veroordeeld tot twaalf jaar cel, maar werd in 1996 in hoger beroep vrijgesproken. Als advocaat-generaal in Den Haag trad zij op in de zaak-Nienke. Renckens was er tijdens het hoger beroep tegen Cees B. volledig van overtuigd dat hij de dader was, naar later bleek ten onrechte.

In zijn rapport stelt advocaat-generaal F. Posthumus dat Renckens een ,,brede en lange ervaring'' heeft en een ,,ervaren lid'' is van het openbaar ministerie. Renckens zegt in het rapport dat het haar vanaf het begin duidelijk was dat het geen gemakkelijke zaak zou worden. Uit het rapport blijkt dat Renckens zich grondig heeft verdiept in de zaak, en dat ze ,,niet van meet af aan overtuigd was van de schuld van Cees B. Zij vond het een zaak waar het wettig bewijs aanwezig was, maar waar het aan overtuiging schortte.

Ze stelt zelf een uitgebreide lijst op van ongerijmdheden in het dossier. Ze merkt bijvoorbeeld op dat Cees B. ,,voor geen meter'' voldoet aan het signalement dat Maikel, het vriendje van Nienke, van de dader gaf. Posthumus vindt het ,,verbazend'' dat zij, gezien de lange lijst ongerijmdheden, toch tot de conclusie komt dat Cees B. de dader is. Hij schrijft: ,,Vergelijking tussen de lijst ongerijmdheden en het requisitoir laat zien hoeveel vragen en ongerijmdheden door de advocaat-generaal zijn weggeredeneerd.''

Renckens meldde niets van een onderhoud dat ze had met onderzoekers van het Nederlands Forensisch Instituut (NFI). De onderzoekers van het NFI hadden met haar, net als eerder met officier van justitie Edelhauser, een persoonlijk gesprek over de twijfels die ze hadden over het daderschap van Cees B. De NFI-onderzoekers zeiden later dat ze het gevoel hadden dat Renckens vrijspraak zou vragen. Renckens erkende het bestaan van afwijkende DNA-sporen op het lichaam van Nienke, maar zei tijdens het hoger beroep dat ze ,,tot nu toe geen enkele indicatie'' had dat het een daderspoor betrof.

Volgens onderzoeker Posthumus heeft de bekentenis van Cees B. een belangrijke rol gespeeld bij de overtuiging dat hij de dader moest zijn. Diens gedrag tijdens de zitting – hij verliet de rechtzaal als het te confronterend werd – heeft die overtuiging bij Renckens versterkt.