Verschrikkelijke vraag

Minister Donner (Justitie, CDA) noemt de uitkomst van het rapport in de zaak-Nienke in een brief aan de Kamer `zorgwekkend'. De verleiding is groot om die conclusie hier een understatement te noemen. Het rapport is onthullend, snoeihard en ontluisterend. Het enige lichtpuntje is dat justitie deze bevindingen zelf vaststelt, in de openbaarheid brengt, excuses maakt en prompt maatregelen belooft om herhaling te voorkomen. Dat neemt niet weg dat het vertrouwen in justitie met deze zaak een harde knauw heeft gekregen. Kamerleden plegen nogal snel `verbijsterd' te zijn, maar deze keer is daarmee weinig miszegd. Des te opvallender dat uit de eerste reacties vooral ontsteltenis en diep onbehagen sprak.

Het is niet goed denkbaar dat dit rapport niet ten minste zal leiden tot disciplinaire maatregelen bij politie of justitie tegen de verantwoordelijke functionarissen. Of minister Donner en zijn topambtenaar Brouwer deze week in functie zullen overleven, is eveneens onzeker. Of behoort dat althans te zijn.

De slachtoffers in deze kwestie hebben behalve op excuses recht op prompte materiële genoegdoening. Daarbij dient bijzondere aandacht uit te gaan naar de elfjarige jongen die de aanslag overleefde. Het harde optreden van de politie jegens hem wordt in het rapport als ,,onfatsoenlijk'' gekenmerkt. De wijze van verhoren ,,dubieus'', zelfs indien hij verdachte zou zijn geweest. Quod non. Zijn ouders zijn ,,misleid''. Het kind is beschadigd. Vervolgens werden zijn achteraf juist gebleken verklaringen terzijde geschoven, opdat de verkeerde verdachte verder vervolgd kon worden. Dergelijke constateringen werpen een schaduw over de door Donner volgehouden verklaringen over de integriteit van politie en justitie in deze zaak. Voor de verkeerde veroordeling van de verdachte was ten minste nog een collectieve dwaling nodig: een keten van blunders van talloze functionarissen, die overigens ieder voor zich te goeder trouw geweest zullen zijn. Maar de elfjarige getuige liep bij z'n eerste kennismaking met de politie aan tegen wat nog het meest op een ambtsmisdrijf lijkt. Zijn kinderen in handen van de politie wel veilig? De vraag alleen is al verschrikkelijk.

Juridisch springt vooral de conclusie in het oog dat justitie op alle niveaus eenzijdig en onkritisch heeft geopereerd en de rechter daardoor onjuist en onvolledig is ingelicht. Kennelijk was de gedrevenheid om een verdachte veroordeeld te krijgen groter dan de behoefte om twijfel toe te laten. Om de waarheid in het strafproces te kunnen vinden, is het toelaten van twijfel overigens wettelijk verplicht.

Ook de rechterlijke macht deelt in de verantwoordelijkheid. Uit de summiere verslagen die het hof Den Haag en de rechtbank Rotterdam van de oefeningen in `zelfreflectie' publiceerden, blijkt onbehagen. Voorzover men al conclusies trekt zijn het algemeenheden. Machteloze constateringen dat de rechter ,,steeds zelf verantwoordelijk is voor de waarheidsvinding''. Dat hij tegen de druk van officier en verdachte bestand moet zijn. Dat een ingetrokken bekentenis ,,met grote behoedzaamheid'' dient te worden gebruikt. Het zijn piepgeluiden uit het sleutelgat van de raadkamer. Daarbinnen is men ongetwijfeld woedend over het prutswerk dat parket en politie de rechter hebben geleverd. En terecht.