Keihard kapitalisme maakt China rijker

Halvering van de armoede is een van de millenniumdoelstellingen waarmee de topconferentie van de Verenigde Naties zich deze week bezighoudt. In China groeit de welvaart, maar tegelijk de kloof tussen arm en rijk.

Je moet je door hard werken op eigen kracht uit de armoede omhoog werken. Dat is de boodschap die de 44-jarige boer Dai Yaodong heeft overgenomen van zijn plaatselijke overheid. Dai, die met zijn broer loopt te zweten in de brandende zon terwijl hij zijn houten kar met zakken rijst naar huis trekt, heeft dan ook eigenlijk geen tijd om te gaan zitten. Het is oogsttijd en hij wil zijn rijst zo snel mogelijk van het veld hebben.

Het district Gushi, waarin Dais dorp Nigang ligt, kwam landelijk in het nieuws met verhalen over hoe ondernemende boeren in de centraal-Chinese provincie Henan het inmiddels tot rijke industriëlen hebben geschopt.

,,Er zijn in ons district tweeduizend mensen die meer dan tien miljoen yuan (een miljoen euro) bezitten, en twintigduizend mensen die meer dan een miljoen yuan (100.000 euro) bezitten'', zo dreunt Dai trots de overheidscijfers van het meer dan één miljoen inwoners tellende district op.

Die mensen zijn vooral rijk geworden van heel vuil werk met een bijzonder laag aanzien: het verzamelen en sorteren van afval in China's grote steden. De grote stromen arbeidsmigranten uit Gushi hebben zich daarin gespecialiseerd sinds ze vanaf het begin van de jaren tachtig zonder vaardigheden, opleiding of geld uit bittere armoede naar de hoofdstad trokken. Een deel van hen wist zich omhoog te werken door het kopen van de rechten op het exploiteren van vuilnisbelten. En het zijn vooral hun succesverhalen die de achterblijvers te horen krijgen.

In zijn eigen dorp kan Dai geen rijke boeren aanwijzen, en ook zelf moet hij nog steeds heel hard werken voor de kost. Maar beter dan vroeger is het zeker. ,,Ik bebouw de grond van mijn vier broers en van mijn zus. Daarmee verdien ik genoeg om mijn vrouw en twee kinderen te onderhouden. Vroeger, toen mijn hele familie nog op het platteland werkte, was iedereen straatarm, maar nu kan ik een keer per week vlees eten'', zo specificeert hij zijn nieuwe welvaart. Hij bewoont een ruim, kaal boerenhuis waar een groot portret van Jezus de huiskamer domineert.

Zijn jongere broer, Dai Yaoxue, is over uit Peking om hem te helpen bij de rijstoogst. ,,Ik verzamel oud ijzer. Dat is een onzeker bestaan, maar we kunnen er wel van leven. Echt rijk zal ik er niet meer van worden, daarvoor ben ik te laat uit het dorp weggetrokken'', zo meent de jongere Dai, die net als zijn broer gelooft dat het verschil tussen rijkdom en armoede vooral voortkomt uit een verschil in durf en toewijding, niet zozeer uit een verschil in kansen.

Zijn stelling lijkt in het huis naast hem bewezen te worden. Daar woont een vrouw met haar dochter van twaalf. Hun donkere, kleine huis bestaat uit blokken leem en doet daarmee tijdloos armoedig aan. Toch werkt ook haar man in de grote stad, in het rijke Shanghai nog wel. Kan hij geen nieuw huis voor haar bouwen? ,,Welnee, daarvoor betalen ze hem veel te weinig'', zegt de vrouw, die ook van het geld dat hij misschien wel in handen krijgt in elk geval niets te zien krijgt.

China is er de laatste dertig jaar veel beter dan andere ontwikkelingslanden in geslaagd om zich aan de armoede te ontworstelen, en de Verenigde Naties laten dan ook niet na om China regelmatig te presenteren als positief voorbeeld voor andere landen. Het land is sinds 1990 maar liefst twintig plaatsen omhooggeschoten op de Human Development Index van de Verenigde Naties, en bekleedt nu de 85ste plaats.

De VN hebben China hard nodig om te laten zien dat de millenniumdoelen, ontwikkelingsdoelstellingen die de VN zich in 2000 voor het jaar 2015 hebben gesteld, wel degelijk haalbaar zijn. Als je China namelijk niet zou meerekenen, dan is de armoede in de wereld de laatste dertig jaar alleen maar toegenomen.

China heeft zich aan de armoede ontworsteld door de socialistische gezamenlijkheid, waarbij er voor iedereen simpele basisgezondheidszorg en onderwijs beschikbaar was, te verruilen voor een vaak keiharde vorm van onversneden kapitalisme. Ontwikkelingshulp heeft bij China's opkomst nauwelijks een rol van betekenis gespeeld. Maar China's nieuwe welvaart sijpelt zonder specifiek overheidsoptreden niet automatisch door tot alle groepen. De kloof tussen arm en rijk neemt steeds verder toe, 70 à 80 procent van de boeren heeft geen ziektekostenverzekering en China doet het bijvoorbeeld slechter dan armere landen als Vietnam en Bangladesh waar het gaat om het terugdringen van de kindersterfte.

Er bestaat zorg over de zwakke positie van vooral oudere plattelandsvrouwen, die met hun kleinkinderen achterblijven als jongeren naar de steden trekken. Oudedagsvoorzieningen ontbreken vrijwel geheel, en steeds meer boerinnen grijpen uit wanhoop naar de pesticide om zelfmoord te plegen. Ook is er steeds minder schoon drinkwater beschikbaar op het platteland, en slaagt China er onvoldoende in om de verspreiding van het aids-virus hiv tegen te gaan.

Ook lukt het China niet om de corruptie een halt toe te roepen. Vooral lagere partijkaders op het platteland persen de boeren vaak ongenadig af om zo in elk geval te waarborgen dat zijzelf en hun gezinnen een behoorlijk welvaartsniveau bereiken. Die corruptie en de ongelijke toegang tot wat algemene voorzieningen zouden moeten zijn, zorgen vooral op het platteland tot spanningen.

De Chinese overheid is zich terdege bewust van de gevaren die de ongelijkmatige ontwikkeling meebrengt voor de toekomstige stabiliteit van China, en probeert er daarom de harde kanten van af te slijpen. Ook dat is in Nigang te zien: de hoofdonderwijzer vertelt trots in zijn pasgeverfde school dat alle 340 dorpskinderen tussen de zes en twaalf vanaf dit jaar gratis naar school mogen. ,,Er is geen kind in ons dorp dat niet naar school gaat.''

De gebroeders Dai zijn blij met die maatregel, waarvan ook hun kinderen profiteren. De kinderen gaan niet meer mee naar Peking, waar het onderwijs veel duurder is. Maar ze weten tegelijkertijd ook dat hun kinderen het later alleen echt goed zullen hebben als ze de harde strijd om het bestaan van hun concurrenten in de steden weten te winnen.