Commissie referendum uit zelfkritiek

Het referendum over de Europese Grondwet van 1 juni vertoonde belangrijke tekortkomingen. De voorbereidingstijd was te kort, de vraagstelling was te ingewikkeld en er was te weinig geld voor campagnes voor of tegen de Grondwet.

Dit zijn de belangrijkste conclusies van het verslag van de werkzaamheden van de Referendumcommissie dat vandaag naar de Tweede Kamer is gestuurd.

De commissie, onder leiding van de Nijmeegse staatsrechtgeleerde Tijn Kortmann, had de wettelijke taak de vraagstelling te formuleren, de samenvatting van de Grondwet te schrijven, de datum van het referendum te bepalen (in samenspraak met de minister van Binnenlandse Zaken), en de subsidie onder maatschappelijke organisaties te verdelen.

Bij het referendum van 1 juni stemde een meerderheid van de kiezers tegen het Verdrag tot Vaststelling van een Grondwet voor Europa (62 procent tegen; 38 procent stemde voor); de opkomst bedroeg 63 procent.

De referendumcommissie toont zich ongelukkig over de datum van 1 juni; te vroeg, vindt ze achteraf. Kiezers konden zich hierdoor niet goed informeren. Door allerlei wettelijke voorschriften was er echter te weinig keus, aldus het verslag.

Doordat de commissie zelf pas eind februari aan het werk kon, was er daardoor te weinig tijd voor een degelijke voorbereiding van haar andere taken, zoals opstelling en uitvoering van de subsidieregeling. Diverse organisaties hebben geklaagd over de late beslissing over hun aanvraag. Het bedrag van één miljoen euro dat voor maatschappelijke organisaties beschikbaar was om campagne te voeren, was volgens de referendumcommissie te klein, gelet op de grote belangstelling bij de subsidieaanvragen.

De vraagstelling van het referendum luidde: `Bent u voor of tegen instemming door Nederland met het Verdrag tot Vaststelling van een Grondwet voor Europa?' De Referendumcommissie heeft daar achteraf kritiek op gekregen; de vraag zou lang en ingewikkeld zijn.

De Commissie vindt dat ook, maar wijst erop dat de wet voorschreef dat zowel de naam van het hele verdrag als de keuze `voor of tegen' in de vraag zou terugkeren. Mocht het komen tot een nieuw nationaal referendum, en de wet zou geen duidelijke vraagstelling bieden, dan verdient het aanbeveling de commissie meer vrijheid te geven de vraag zelf te formuleren, aldus het verslag.