`CIA hierbij betrokken? Waanzin'

De inlichtingendienst CIA heeft nooit aan Nederlandse autoriteiten gevraagd om `atoomspion' Khan zijn gang te laten gaan. Ook is zijn procesdossier niet verdwenen.

Heeft de CIA tweemaal ingegrepen in de zaak van de vermeende atoomspion A.Q. Khan? Dat was de conclusie die het VPRO-radioprogramma Argos op 9 augustus trok uit een interview met oud-premier Ruud Lubbers. In 1975 en later in 1985/1986 zou de dienst erop hebben aangedrongen Khan niet aan te houden om hem zo des te makkelijker te kunnen volgen.

Khan was een in Nederland opgeleide metallurg die tussen 1972 en 1975 betrokken werd bij het werk aan de (geheime) ultracentrifuges voor de verrijking van uranium. Na zijn terugkeer in Pakistan ontwikkelde hij zich tot `de vader van de Pakistaanse atoombom'. Vorig jaar viel hij in ongenade. Vaststaat dat hij veel van de in Nederland verworven kennis heeft gebruikt. De conclusies van de VPRO trokken wereldwijd aandacht. Zij bevestigden in detail een artikel in The New York Times van 26 december 2004 dat een ,,senior European diplomat'' als bron noemt.

Afgelopen vrijdag onthulde mr. A.B. Leeser-Gassan, vertrekkend vice-president van de rechtbank in Amsterdam, in het tv-programma Nova dat het strafdossier van Khan bij de rechtbank op raadselachtige wijze was verdwenen. Leeser-Gassan was de rechter die Khan in 1983 bij verstek tot vier jaar veroordeelde. Nova suggereerde dat de CIA ook de hand had in de verdwijning van het dossier. Een extra aanwijzing zag men in de wonderlijke afloop van Khans hoger beroep in 1985. Hij werd toen op grond van een futiliteit vrijgesproken. Het OM had de zaak snel opnieuw voor de rechter kunnen brengen maar deed dat niet.

Bij nader onderzoek klinken Lubbers' uitlatingen in het Argos-programma verre van stellig. Hij laat slechts weten in 1975 en later in 1985/1986 te hebben aangenomen dat de CIA volledig van Khans doen en laten op de hoogte was. Uit de constatering dat de CIA niet uitdrukkelijk om aanhouding vroeg trok Lubbers de conclusie dat de dienst dús geen vervolging wilde. Daarom had Nederland ervan afgezien. Lubbers wilde zijn negatieve formulering tegenover deze krant niet in positieve zin ombuigen en onthoudt zich verder van commentaar. ,,Ik wil me niet als Khan-expert voordoen en concentreer me liever op non-proliferatie in het algemeen.''

De VPRO vond geen politicus of ambtenaar die Lubbers' uitspraak kon steunen. Ook het ministerie van Justitie deelde mee geen bevestiging voor Lubbers' verklaring te kunnen vinden. Diverse feiten pleiten tegen Lubbers' stelling. Zo was Nederland, dat met Duitsland en het Verenigd Koninkrijk in het centrifugeproject samenwerkte, in 1975 helemaal niet in een positie om zonder overleg met de partners toezeggingen te doen. Uit een vrijgegeven CIA-rapport over de nucleaire situatie in Pakistan van destijds blijkt dat de CIA tot in 1978 geen enkele aandacht had voor uraniumverrijking. Pas in 1978 drong het gevaar door. Toen werd Nederland ook direct door de Amerikaanse ambassadeur gewaarschuwd.

Inmiddels worden Lubbers' beweringen van ambtelijke zijde uitdrukkelijk tegengesproken. Een ex-ambtenaar van Economische Zaken (voormalig BVD-medewerker) die al in de jaren zeventig ten nauwste bij het dossier betrokken was, noemt de rol van de CIA uitdrukkelijk ,,non-existent''. ,,De naam van de CIA is in deze kwestie nooit gevallen. Niet gedurende de gehele periode.''

Drs. A.J. van Galen Last, al in de jaren zeventig hoofd van het bureau atoomzaken van het ministerie van Buitenlandse Zaken en nog tot vorig jaar bij het dossier betrokken: ,,Lubbers is op het verkeerde been gezet. De CIA is never ever in the picture geweest. Zelfs het woord CIA is nooit genoemd. Het is zulke waanzin.''

Van Galen Last maakte deel uit van de ambtelijke commissie-Bos, die de kwestie Khan in 1979 analyseerde en die later aan het parlement rapporteerde. ,,Ik heb het dossier nog helemaal paraat, ik weet precies hoe het zit. De Britse en Israëlische inlichtingendiensten hebben een prominente rol gespeeld, maar de CIA wordt nergens genoemd. De Amerikanen handelden liever via diplomatieke kanalen.''

Een hypothetisch verzoek van de CIA zou hoogstwaarschijnlijk via de BVD zijn binnengekomen. Er was een handvol CIA-medewerkers verbonden aan de Amerikaanse ambassade in Den Haag. Zij hadden wekelijks informeel contact met BVD'ers. Het is zeker dat een delicaat CIA-verzoek uitsluitend door de CIA-station chief zou zijn overgebracht. Die CIA-man was Howard T. Bane, inmiddels wonend in Fairfax (Virginia). Daar neemt alleen mevrouw Bane de telefoon op.

In 1985 werd Abdul Khan, na zijn veroordeling in 1983, vrijgesproken op grond van een procedurele fout. Hij was niet correct gedagvaard. Van Galen Last: ,,Het heeft velen verbaasd dat het OM de zaak niet opnieuw aanbracht, en kennelijk wordt er nu de hand van de CIA in gezien. Maar het zat heel anders. Tijdens het proces was door Khans advocaten ook inhoudelijk verweer gevoerd, daar is het hof niet aan toegekomen. Advocaat Willem Russell had een dik dossier aangelegd van informatie over ultracentrifuges die hij gewoon in de bibliotheek kon vinden. Inhoudelijk stelde het niet veel voor, maar wij waren toch erg bang dat de rechter zich erdoor zou laten overtuigen. Dan zou Khan op hoofdpunten worden vrijgesproken. Dat leek ons een verkeerd signaal.''

Strafrechtdeskundige C.F. Rüter, destijds adviseur van Khans advocaten, zegt het scherper. ,,Khan werd ervan beticht dat hij in twee brieven had geïnformeerd naar geheime details van de centrifuge. Maar wij legden verklaringen over van acht deskundigen waaruit bleek dat die details niet geheim waren. Daarmee was de zaak kapot. Ze hádden niets meer tegen Khan.''

Oud-minister van Justitie mr. F. Korthals Altes voegt eraan toe dat ook de vrees bestond dat opnieuw problemen zouden ontstaan bij de dagvaarding en de betekening van het vonnis. ,,Die blamage wilden we ons besparen.'' Ook Korthals Altes heeft geen enkele herinnering aan een rol van de CIA.

Ook met het verdwenen procesdossier lijkt niets bijzonders aan de hand. Toen NRC Handelsblad dit voorjaar vroeg om inzage in een aantal stukken uit dat dossier, reageerde hoofdadvocaat-generaal P. van Kesteren op 10 juni schriftelijk. Het dossier was overeenkomstig de bepalingen van de Archiefwet 1962 na het verstrijken van de wettelijke bewaartermijn vernietigd, met uitzondering van het vonnis. De rechtbank had daar deze week niets aan toe te voegen.