Wonder op naam van Dorothea

Dorothea Visser heeft een ,,medisch onverklaarbare'' genezing op haar naam staan. Tot die conclusie is een kerkelijke rechtbank gekomen die het vermeende wonder op voorspraak van de kandidaat-zalige heeft onderzocht. Dat heeft het aartsbisdom Utrecht vandaag gemeld.

De rechtbank, die kardinaal Simonis in maart installeerde, is klaar met haar onderzoek in het kader van een mogelijke zaligverklaring van Visser (1819-1876), wier graf in het Gelderse Olburgen sinds 1965 gelovigen trekt die haar voorspraak inroepen.

Voor een zaligverklaring moet de rooms-katholieke kerk één wonder erkennen dat op voorspraak van de kandidaat-zalige zou zijn geschied. De rechtbank heeft de behandelend geneesheer en medici van buitenaf gehoord. Zes jaar geleden zou een trouwe bezoeker van haar graf, een man die nooit had kunnen lopen, plotseling zijn genezen. Twee verzegelde kopieën van het dossier gaan naar het Vaticaan, waar de congregatie voor de heiligverklaringen het proces voortzet. Behalve een wonder zijn voor de zaligverklaring ook onderzoeken nodig naar het leven en de deugden van Visser en naar de mate waarin een verering rond haar persoon is ontstaan.

Visser, die door een verwonding aan haar rechterbeen nauwelijks kon lopen en leed aan een aandoening aan de urinewegen, leidde een leven van bidden en vasten. In 1843 zou ze voor het eerst de wondetekens van Jezus (stigmata) hebben ontvangen. Die zouden tot haar dood nog vele malen zijn teruggekeerd.

In haar woonplaats Gendringen en omgeving kreeg Visser nog tijdens haar leven een naam van heiligheid, maar riep ze ook kritische vragen op. De journalist Bert Kerkhoffs bracht in 1965 met zijn bewerking van Kerkhofs dagboekaantekeningen de verering van Dorothea Visser op gang.