Teddybeer naast de lijkzak, sporen weg

Uit het vanmorgen gepresenteerde onderzoek naar de rol van het openbaar ministerie in de zaak-Nienke blijkt dat bij de opsporing al vanaf de eerste dag ernstige fouten zijn gemaakt.

Het is een uur of zes in de avond, op 22 juni 2002, als duidelijk wordt dat zich in de bosjes van het Beatrixpark in Schiedam een ramp heeft voltrokken. De 11-jarige Maikel, naakt en met een veter om z'n nek waar de schoen nog aanzit, roept om hulp. Zijn vriendinnetje Nienke (10) is dood. Gewurgd met zijn schoenveter.

Vroeg in de avond zijn alle hulpdiensten in het park aanwezig. En daar gaat het al mis, zo blijkt uit het vanmorgen gepresenteerde onderzoek naar de opsporing en vervolging in de zaak-Nienke. Het rapport is door advocaat-generaal F. Posthumus aangeboden aan Harm Brouwer, hoogste baas van het Cgollege van procureurs-generaal. Brouwer erkende vanmorgen bij die gelegenheid dat er ,,heel veel is misgegaan in deze zaak''.

Uit het rapport blijkt dat op het plaats delict onvoldoende sporen zijn veiliggesteld die informatie konden geven over het misdrijf en de mogelijke dader. Ook al bleek meteen dat er bij het misdrijf veel bloed had gevloeid, er werd geen speurhond ingezet om bijvoorbeeld te zoeken naar een bebloed mes. Maar de grootste misser, stelt het rapport, was dat het lichaam van Nienke niet ter plaatse werd onderzocht door forensisch deskundigen. De technische recherche besloot het lichaam in een lijkenzak te stoppen en over te brengen naar het mortuarium. Nienke werd in een onbeveiligde koelruimte gelegd. Een medewerkster van het mortuarium heeft haar daar nog uitgehaald, over haar wang gestreken, en een beertje naast de lijkzak gelegd. Hierdoor, zo schrijven de onderzoekers, ,,is het gevaar van contaminatie onstaan'' (vervuiling van de sporen).

Pas de dag erna is het lichaam overgebracht naar het Nederlands Forensisch instituut. En daar schrokken ze. Door het vrijgekomen vocht waren de sporen op Nienkes lichaam ,,vermengd, gecontamineerd, of verdwenen''. De grote les, zegt advocaat-generaal Posthumus, die het NFI en de politie daaruit hebben getrokken, is dat bij dergelijke moorden direct een deskundige het lichaam ter plaatse onderzoekt.

Maikel sprak kort na de moord op zijn vriendinnetje met twee politie-ambtenaren. Het eerste officiële verhoor vond plaats een dag later in het ziekenhuis. Zijn verwondingen zijn nooit door een forensisch deskundige onderzocht. En dat bleek later cruciaal. Bij een aantal politieagenten leefde de gedachte dat Maikel niet het slachtoffer was, maar de dader. Posthumus: ,,Ze vonden dat Maikel zo weinig emoties toonde als hij vertelde wat er gebeurd was.'' De agenten vermoedden dat Maikel verzweeg dat hij met Nienke een seksspelletje speelde in het park en daarbij werd gestoord. Dat was niet zo. Maikels verklaringen zijn, zegt Posthumus, altijd redelijk consistent geweest.

Maikel heeft nooit officieel te horen gekregen dat hij verdacht werd. Hij heeft nooit de cautie ontvangen. Een verdachte moet altijd door de politie worden gewezen op zijn rechten. Het recht om te zwijgen, het recht op een advocaat.

Posthumus noemt de manier waarop Maikel wekenlang is verhoord ,,onbehoorlijk'' en ,,onbegrijpelijk''. Een van de twee adviseurs van Posthumus is hoogleraar strafrecht Ybo Buruma van de Radboud Universiteit Nijmegen. Hij heeft de videobanden van de verhoren ,,met een brok in zijn keel'' bekeken. ,,Een agent ging op zijn rug zitten en greep hem bij zijn keel. Dat heb ik zelfs bij een volwassen verdachte nog nooit gezien.'' De psycholoog die aanwezig was bij de verhoren om de belangen van Maikel te bewaken, heeft geen enkele keer ingegrepen. Posthumus noemt dat ,,verbijsterend''. Procureur-generaal Brouwer bood vanmorgen na aanvaarding van het rapport expliciet zijn excuses aan Maikel en zijn familie.

Pas halverwege augustus kwam Cees B. in beeld als verdachte. Ook hij was eerst getuige. Buruma: ,,De politie was opgelucht. Ze hadden hem, dachten ze.'' Cees B. had eerdere pedoseksuele delicten gepleegd, onder andere bij de zoon van een politieman, en, zegt Posthumus, Cees B. is een extreem meegaande man. Cees B. bekende twee keer. Volgens Posthumus zijn er geen aanwijzingen dat er ,,ontoelaatbare druk'' op hem is uitgeoefend.

Vanaf het moment dat Cees B. bekent, begint bij politie en justitie wat het rapport noemt: tunnelvisie. Er is onvoldoende oog voor ontlastend materiaal. Zoals voor het feit dat het uiterlijk van B. niet overeenkomt met het signalement dat Maikel gaf van de dader (puistig en wit gezicht). En dat er op de plaats delict en op het lichaam en kleding van Nienke geen DNA-spoor van B. werd aangetroffen.

En dat is wat de medewerkers van het NFI ook opvallend vonden. Kort na de moord konden zij geen sporen isoleren, begin 2001 konden ze dat met een nieuwe, experimentele techniek wel. Er werden zeven gebrekkige sporen gevonden. Een onderzoeker meende een duidelijk spoor te zien van een derde man, niet zijnde B. De (meer ervaren) deskundige twijfelde ook, maar vond het te weinig wetenschappelijk verantwoord om dat feit in zijn rapport aan het OM op te nemen.

Wel, en dat was een unicum, werd er twee keer met justitie gesproken over de twijfel van de NFI'ers. De eerste keer nadat Cees B. al was veroordeeld door de rechtbank, de tweede keer met advocaat-generaal Renckens, vlak voordat het hoger beroep in de zaak diende bij het hof in Den Haag. Volgens Posthumus waren de NFI-medewerkers er na afloop van het gesprek van overtuigd dat de advocaat-generaal bij het gerechtshof om vrijspraak zou vragen.

Dat gebeurde niet. Renckens, zegt Posthumus, heeft de zaak tegen Cees B. altijd zeer kritisch bekeken, heeft een aantal inconsequenties uit het dossier gehaald. Maar: ,,Zij vond dat er wel voldoende wettig bewijs tegen hem was, maar had nog niet de overtuiging dat hij de dader was.'' Toch is ze dat uiteindelijk, ondanks de twijfels van het NFI, wel gaan denken. Posthumus: ,,Haar overtuiging won het van de feiten.'' Mede-onderzoeker Buruma: ,,Ze vond de mogelijkheid onverdragelijk dat hij het wél had gedaan en er niet voor werd gestraft.''

    • Sheila Kamerman
    • Rinskje Koelewijn