Smith-san in Japan

De reuzenoverwinning van de Japanse premier Koizumi bij de parlementsverkiezingen van afgelopen zondag werd gisteren niet alleen in politieke kring gevierd. Zij vertaalde zich ook in een koersstijging van aandelen die de meest bekende index, de Nikkei-225, naar zijn hoogste niveau tilde sinds eind juni 2001. Fijn voor de geplaagde belegger in Japanse aandelen, die de index in mei 2003 nog zag zakken tot 7.700 punten. Maar in historisch perspectief is het nog steeds mager. Twee dagen voor (onze) oudejaarsdag 1989, toen het gros van de mannen en vrouwen die nu beleggingsadvies geven nog op school zat, stond de Nikkei op 39.916 punten. Dat was de tijd dat Japan Inc. als buitengewoon bedreigend werd gezien. Dat Amerikaanse arbeiders in Detroit voor de camera's een Japanse auto met voorhamers in elkaar dreunden, en het verhaal ging dat de grond van het keizerlijk paleis in Tokio even veel waard was als heel Zwitserland.

Zestien jaar van Japanse stagnatie later heeft China de rol van boeman van de wereldeconomie overgenomen. Maar gisteren kwam er, naast Koizumi's zege, ook ander belangrijk nieuws uit Japan: eindelijk, eindelijk lijkt de stagnatie voorbij. In het tweede kwartaal van dit jaar groeide de economie met 3,3 procent, na een groeispurt in het eerste kwartaal. Analisten verwachten nu dat de economie in 2005 en volgend jaar met een gezonde 2,5 procent groeit. Zou het nu dan eindelijk gebeuren? Ook in 1995 en 1996 was er een soortgelijke opleving van de economie, maar die werd toen vakkundig om zeep geholpen met een voortijdige verhoging van de belastingen. De uitgangssituatie nu lijkt veel beter, maar nieuwe fouten zijn zo gemaakt. Alles is het afgelopen decennium, met sterk wisselend succes, uit de kast gehaald om de economie op te jagen. Japan verlaat zijn stagnatieperiode nu met een staatsschuld van 161 procent van het bruto binnenlands product, een cijfer waar ze zelfs in Italië van zouden schrikken. Het begrotingstekort bedraagt ruim 6 procent, de officiële rente is al jaren 0 procent. Verdere hervormingen, anders dan de nu geplande privatisering van de postbank met haar 2.400 miljard euro aan belegd spaargeld, zijn nodig, maar kunnen juist worden gefrustreerd door de omvang van Koizumi's verkiezingszege. Zo groot is nu de meerderheid van zijn Liberaal-Democratische Partij (LDP), dat de kans groeit dat een factiestrijd binnen de gelederen het beleid lamlegt. Is dat erg? Een cynicus zou zeggen dat bewust overheidsbeleid Japan de afgelopen vijftien jaar misschien wel meer kwaad heeft gedaan dan goed. De zichtbare hand van Koizumi mag de komende tijd dus alsnog gebonden zijn, reden te meer om Adam Smith's onzichtbare hand in alle rust zijn werk te laten doen.

    • Maarten Schinkel