Schoen al 30.000 jaar in zwang

Uit de ontwikkeling van teenbeentjes maakte een Amerikaanse onderzoeker op dat mensen zo'n 30.000 jaar geleden regelmatig op schoenen gingen lopen.

Waarschijnlijk droegen mensen al vanaf 100.000 jaar geleden schoeisel. Maar het dragen van schoenen nam maar langzaam toe, totdat mensen vanaf ongeveer 30.000 jaar geleden echt regelmatig op schoenen gingen lopen. Dit blijkt uit een analyse van de robuustheid van fossiele teenbotjes van Neanderthalers en Homo Sapiens uit Europa en West-Azië door Erik Trinkaus van Washington University in St. Louis. De studie van Trinkaus, Anatomical evidence for the antiquity of human footwear use wordt gepubliceerd in het oktobernummer van het Journal of Archaeological Science.

De moderne mens, Homo sapiens, is ongeveer 200.000 jaar geleden ontstaan in Afrika. Zo'n 45.000 jaar geleden verschenen ze in Europa, waar ze in contact kwamen met Neanderthalers, een andere, nauw verwante mensensoort die 25.000 jaar geleden uitstierf. In Europa ontstond vanaf 40.000 jaar geleden een grote culturele bloei, met veel geavanceerdere werktuigen, kunstvoorwerpen, grottekeningen en naar nu dus blijkt ook een veel intensiever gebruik van schoenen.

Trinkaus kon het effect van schoenen op teenbeentjes achterhalen door de botjes te vergelijken van moderne Europeanen (confortabel bestaan, altijd schoenen), eskimo's (zwaar bestaan, altijd schoenen) en prehistorische indianen (zwaar bestaan, blote voeten) te vergelijken. Het gaat om het effect van schoenen met een harde zool die een deel van de belasting van de tenen opvangen. Eskimo's, die lopen op laarzen met een harde zeehondleren zool, hebben dan ook veel lichtere teenbotjes dan je op grond van hun verder zo robuuste skelet zou verwachten. Hun tenen lijken meer op die van moderne Europeanen dan op die van prehistorische indianen, wier tenen door het op blote voeten lopen veel robuuster zijn.

In het prehistorische materiaal vindt Trinkaus vanaf ongeveer 100.000 jaar geleden een trend van minder robuuste teenbotjes, terwijl de rest van de botten in de benen niet minder robuust worden. Maar de late botjes, 30 à 25.000 jaar oud, zijn vrijwel even licht gebouwd als die van moderne Europeanen die hun hele leven op schoenen lopen.

De mensen uit deze late periode liepen ook wel op blote voeten, zo blijkt uit voetafdrukken in grotten, maar ,,hun teenbotjes tonen dat ze wel degelijk schoenen ter beschikking hadden als ze in zwaarder terrein liepen'', zo schrijft Trinkaus.

De anatomische analyse van Trinkaus sluit aan bij de karige informatie over schoeisel die uit vondsten en afbeeldingen bekend is. De oudste bewaard gebleven schoenen zijn sandalen uit een grot in Noord-Amerika, ongeveer 8.000 jaar oud.

Maar in de Franse Grotte de Fontanet is een afdruk gevonden van een menselijke voet die een soort zachte mocassin lijkt te dragen – zo'n 15.000 jaar oud. En uit het patroon van de kralen waarmee de skeletten uit het Russische Sunghir bedekt waren (circa 25.000 jaar oud) is af te leiden dat ze een soort voetbescherming droegen. Uit het Tsjechische Pavlov is een keramisch beeldje bekend, dat een soort laars lijkt af te beelden.

Trinkaus' conclusies sluiten ook aan bij de vage aanwijzingen die er bestaan voor kleding in de prehistorie. Op grond van genetische informatie is het waarschijnlijk dat de voorouders van de mens al 1,2 miljoen jaar geleden hun pels verloren (en net zo kaal werden als de moderne mens).

De oudste bewaard gebleven naalden zijn ongeveer 25.000 jaar oud. De oudste (vage) aanwijzingen voor textiel en andere geweven objecten zijn ongeveer 29.000 jaar oud. Het gaat om afdrukken van weefsel in klei.

    • Hendrik Spiering