Real Madrid: een witte tornado in zwarte tijden

Vanavond gaat de Champions League weer van start. De voorloper, de Europa Cup voor landskampioenen, werd vijftig jaar geleden opgericht. Terugblik op een roerig begin.

Het begon met de wedstrijd Sporting Lissabon-Partizan Belgrado, op 12 juni 1956. Alfredo di Stefano, 's werelds beste voetballer van dat moment, wist alle ogen op zich gericht in het kolkende stadion Parc des Princes in Parijs. Hij liet zijn ploeg Real Madrid schitteren – en zorgde er eigenhandig voor dat de eerste Europa Cup voor landskampioenen een succes werd.

De Spaanse ploeg zou tot 1960 met verbluffend spel de scepter zwaaien over het Europese voetbalcontinent. De ploeg won de eerste vijf bekers van de Europa Cup der landskampioenen.

,,Het geheim achter Real Madrid is de wijze waarop zorg wordt gedragen voor elke sterspeler'' zei voorzitter Don Santiago Bernabeu in 1960 over het succes van zijn koninklijke witte brigade in The Real Madrid Book of Football. ,,Wil een vedette zich in het zakenleven storten, Real adviseert hem. Heeft hij een mentaal probleem, dan staat de psycholoog klaar.''

Bernabeu, die in 1943 een succesvolle gooi naar de macht deed in Madrid, zette de ploeg op de wereldkaart. Al snel na zijn aanstelling als voorzitter, liet hij een fonkelnieuw stadion bouwen, voor 100.000 toeschouwers. Voor dat doel lanceerde hij een `supporterslidmaatschap' – wie wilde kon de stenen voor het stadion financieren. In zijn vernieuwingsdrang schuwde Bernabeu gewiekste trucs niet. Zo schonk hij scheidsrechters een gouden horloge, voorafgaande aan Europese thuiswedstrijden.

De vlam sloeg in de pan nadat Raimundo Saporta in 1952 verantwoordelijk werd voor de financiën bij Real. Bernabeu opperde na diens aanstelling de wildste plannen. En Saportas, het commerciële brein bij de club, droeg zorg voor de uitvoering ervan met steun van de Spaanse dictator Franco. De aankoop in 1953 van Di Stefano, de Argentijn met de Italiaanse wortels, moest het sluitstuk vormen van Bernabeus droomelftal.

Phil Ball legt in zijn boek 100 Years of Real Madrid de omstreden transfer van Di Stefano onder de loep. FC Barcelona, op dat moment kampioen van Spanje, betaalde 4 miljoen peseta's aan het Argentijnse River Plate, Di Stefano's club. Real counterde het vijandige overnamebod met een bedrag van slechts 1,5 miljoen peseta's, overgemaakt op de rekening van het Colombiaanse Millionarios. Di Stefano tekende in 1949 voor deze piratenclub van de illegale profcompetitie, die zich had losgeweekt van de wereldvoetbalbond.

De FIFA volgde trouw de eigen regels en stelde Barcelona in het gelijk. Maar generaal Moscardo, de afgezant van Franco in de Spaanse voetbalfederatie, kwam prompt met een nieuw reglement dat de import van buitenlandse spelers aan banden moest leggen. Zo zou de transfer van Di Stefano naar Madrid worden veiliggesteld. Moscardo verklaarde alle onderhandelingen van voor de nieuwe gedragscode vervolgens ongeldig, waarmee de overeenkomst tussen Barcelona en River Plate nietig werd. Bedenkelijke ingrepen van Franco's entourage deden Di Stefano uiteindelijk bij Real Madrid belanden. Met zijn fraaie doelpunten bezorgde hij zijn nieuwe club twee opeenvolgende landstitels, in 1954 en in 1955. De Argentijn zou zowel het Europese voetbal als de Spaanse politiek ingrijpend veranderen. Franco's Spanje werd een pion op het schaakbord dat Koude Oorlog heette.

Don Santiago Bernabeu kneedde Real tot het voetbalbolwerk dat het tot op de dag van vandaag is. Hij voerde een stringent bewind en profileerde zich als het sportieve verlengstuk van Franco. Bernabeu, die eerder midvoor en secretaris bij Real was geweest, combineerde visionaire gedachten met toegang tot de binnenste ring van Franco's machtsscentrum. Hij was tijdens de Spaanse Burgeroorlog een trouwe soldaat van de Generalissimo.

De club wist jaar in jaar uit nieuwe internationale vedetten aan te trekken: in 1954 de Argentijn Rial, in 1956 de Fransman Kopa, in 1957 de Uruguyaan Santamaria, in 1958 de Hongaar Puskas en in 1959 de Brazilianen Didi en Canario. Bernabeus elftal bereikte zijn hoogtepunt in de return van de eerste wereldbeker voor clubteams. Na een 0-0 in Montevideo werd Penarol in Madrid van het veld geveegd: 5-1. De doelpunten die op de Spaanse staatsradio werden bejubeld, klonken als Cara al Sol, de fascistische hymne, schreef de geëngageerde Uruguyaanse schrijver Eduardo de Galeano. In 1959 hield regeringsleider José Solis een opmerkelijke rede met een dankwoord voor de spelers: ,,Veel mensen die ons vroeger haatten, verheerlijken ons vandaag.''

Wat was er gebeurd als de FIFA voet bij stuk had gehouden? En Di Stefano niet met Real Madrid, maar met Barcelona – in die tijd het beste team van Spanje – in Europa had getriomfeerd? Onder aanvoering van Joseph Tarradellas, de sinds 1939 in de Franse Pyreneeën in ballingschap verblijvende laatste minister-president van Catalonië vóór de Franco-dictatuur, zouden de duizenden over Europa uitgezwermde Catalaanse vluchtelingen, via het succes van FC Barcelona, de druk op Franco hebben kunnen opvoeren. Tarradellas droeg afwisselend twee hoeden: een geel-rode (Catalonië) een paars-blauwe (Barça).

Franco buitte het Europese succes van Real goed uit en hield vaak audiënties voor de selectie. Zoals de tweede Europa-Cupfinale aantoonde, in 1957. In het eigen stadion, handig bij de Europese voetbalbond UEFA geregeld door Bernabeu, versloeg Real concurrent Fiorentina met 2-0. Aanvoerder Muñoz nam de beker van Franco in ontvangst. De witte panolada van 125.000 uitzinnige supporters na afloop van de wedstrijd de traditionele ceremonie met de wuivende zakdoekjes, waarmee het publiek een oordeel velt dreef Don Santiago Bernabeu tot tranen: ,,We bewezen een grote dienst aan het land.''' Real Madrid, de witte tornado van de zwarte dictatuur.

    • Raf Willems