Lekker gefietst?

Zondagmiddag, een herfstige kleurloosheid hangt over de provincie, maar de temperatuur is zonder meer aangenaam. Ik zet de televisie aan en kijk prompt in de smoel van Roberto Heras, die er met de jaren steeds verkalkter uit begint te zien. Ik begrijp dat deze Heras bezig is de leider in de Vuelta, Rabo-superster Dennis Mentsjov, de genadeklap toe te dienen. Heras worstelt zich omhoog naar de top van de Puerto de Pajares, op een stuk met een stijgingspercentage van liefst 16 procent. Het regent, af en toe valt het beeld weg.

Alsof ze informeerde naar het welslagen van een vakantie stelde mijn schoonmoeder me na mijn terugkeer uit de Vuelta, ergens midden jaren tachtig van de vorige eeuw, de vraag: ,,Heb je lekker gefietst, jongen?''

Ik had afgezien als een varken. Het was de enige Vuelta die ik heb uitgereden. Toch was het een goede vraag. Meer nog dan de Tour, is de Vuelta een toeristisch uithangbord. Ik haatte de koers, maar hield zielsveel van het land.

Ik kijk naar Roberto Heras, tegen de flanken van de Puerto de Pajaros. Hij lijkt op te lossen tegen het immense massief. De bergpas is de baas, niet Heras.

Zaterdag was de aankomst op Lagos de Covadonga. Daar houdt de wereld op. Eigenlijk is het verboden terrein, het is een beschermd natuurgebied dat één keer per jaar word opengesteld aan de beschaving van de Vuelta. De top is te krap voor de ontvangst van een mediageniek circus. Dat is nou de charme van de Vuelta: de onherbergzaamheid wint het nog altijd van de zucht naar controle. Picos de Europa heet de bergketen. De naam zegt genoeg.

Ik bewaar zoete herinneringen aan de Ronde van Spanje. De eerste keer liep ik er een voedselvergiftiging op. Het was in de Pyreneeën en ik liep leeg. Hangend aan de auto kreeg ik een injectie toegediend door de rondedokter. Het was uitstel van executie, een paar dagen later verliet ik het strijdtoneel. Om een uur of vijf in de ochtend stapte ik in de auto van verzorger Dirk. Dirk zou me naar het vliegveld rijden in het Franse Pau. Hij had uitgerekend dat hij net op tijd terug zou zijn om in de koers bevoorradingszakken te kunnen aanreiken. Ik was de navigator. Toen verdwaalden we in de dichte mist.

We bleven maar bergop rijden. We moesten immers aan de andere kant van de Pyreneeën wezen. Op zeker moment hield het asfalt op, maar Dirk wilde van geen omkeren weten. Hobbelend over ezelspad braken we door de wolken en bereikten de top. Dirk had opeens geen haast meer en zette de wagen stil. We stapten uit. Stilte. Een wolkenkleed strekte zich beneden ons uit. ,,Zeg nou zelf, dit is toch een voedselvergifting waard'', zei hij. En zo was het.