Extra controle bewijsmateriaal nodig

Uit de zaak-Nienke K. blijkt dat laboratoriumuitslagen ter beschikking moeten worden gesteld aan onafhankelijke deskundigen. Deze deskundigen moeten door de verdediging worden aangewezen, meent Gerard te Meerman.

In de zaak Nienke K., waarbij de verdachte Cees B. ten onrechte is veroordeeld, was het van eminent belang om een DNA-spoor te verkrijgen dat waarschijnlijk van de dader afkomstig was. Bijlage 1 van de brief van de voorzitter van het college van procureurs-generaal Harm Brouwer aan het OM van begin september, maakt verrassend duidelijk wat er werkelijk is misgegaan.

Door niet onmiddellijk de veter waarmee de wurging van Nienke K. is uitgevoerd veilig te stellen, maar die te laten zitten en aan vocht in de lijkenzak bloot te stellen, is ontlastend bewijs vernietigd: de veter zou immers bij goede behandeling een ondubbelzinnig daderspoor te zien hebben gegeven. De krachten die voor verwurging moeten worden uitgeoefend zijn zo groot dat er wel een DNA spoor moet achterblijven.

Justitie, bij monde van Harm Brouwer, erkende dat er DNA-materiaal van een derde persoon was aangetroffen. Tevens stelde hij dat het niet onbegrijpelijk was dat dit niet aan de rechter is voorgelegd, omdat er bij het Nederlands Forensisch Instituut (NFI) discussie was over de wetenschappelijke betrouwbaarheid van dit bewijs.

Uit het vonnis van het Haagse hof blijkt overigens dat een volledige presentatie van het bewijs waarschijnlijk niets geholpen zou hebben. Het vonnis verwerpt iedere tegenwerping van de advocaten met volle overtuiging, inclusief verzoeken om contra-expertise.

Dit toont in ieder geval aan dat deze afhankelijkheid van de rechten van de verdachte van de inzichten die bij de rechterlijke macht leven, geen goed idee is. Behalve als je eist dat bij veroordelingen een daderspoor naar de verdachte moet leiden, hebben verdachten zoals Cees B. de schijn zo sterk tegen dat ze altijd veroordeeld zullen worden.

Dat het NFI deze twijfels en de DNA-gegevens die er aan ten grondslag lagen in het rapport van 29 maart 2001 evenals in de getuigeverklaring van NFI-deskundige Kloosterman heeft verzwegen, is het NFI aan te rekenen, alsmede de officier van justitie en de advocaat-generaal. Hoezeer minister Donner nu ook probeert het onderwerp van discussie te vervagen door allerlei uitspraken over de rol van de media: deze fout valt niet meer weg te poetsen.

Wat kunnen we hiervan leren? Voornamelijk dat bij complexe bewijsvoering van forensische aard (en je kunt het vonnis van het Haagse Hof lezen als een voorbeeld daarvan) `peer review' (onafhankelijk onderzoek door deskundigen) even hard nodig is als bij gewoon wetenschappelijk werk.

`Het geheim van de raadkamer' wordt nu gebruikt om geen inzicht te geven in een denkproces dat tot een foutief oordeel kwam. Onafhankelijk onderzoek is echter goed voor wetenschappers en juristen.

Hoewel exacte wetenschappen bij het publiek de indruk wekken dat resultaten objectief en onweerlegbaar zijn, weet iedere onderzoeker dat zelfs grove fouten voorkomen en dat er over interpretaties heel wat te twisten valt. Zelfs de beste onderzoekers worden van tijd tot tijd met hardhandige kritiek geconfronteerd.

Dat betekent dat de ruwe laboratoriumuitslagen en de daarop gebaseerde onderzoeksrapportage ter beschikking moet worden gesteld aan onafhankelijke deskundigen en er moet worden nagegaan of de conclusies uit het materiaal een redelijke neerslag zijn van de complexe laboratoriumbevindingen. Die onafhankelijke deskundigen zouden bij voorkeur door de verdediging moeten worden aangewezen.

Op die manier kunnen er ook aanvullende vragen bij het onderzoek worden gesteld, die door het NFI of andere experts beantwoord worden. Toen ik mij indertijd met enkele anderen druk maakte over de zogenaamde balpenmoord heb ik de bij juristen niet populaire stelling betrokken dat zij in sommige gevallen gewoon te weinig natuurwetenschappelijk inzicht hebben om een aanklacht in relatie tot de evidentie adequaat te kunnen beoordelen.

Ook in die zaak waren er bij het NFI twijfels of de aanklacht wel overeenkwam met wat fysisch mogelijk is. Helaas stond en staat het NFI zodanig onder regie van het OM, en is het intern te hiërarchisch, dat er geen ruimte was en is om dergelijke twijfel tot de rechtbank te laten doordringen. Dat was fout en is het nog steeds.

Er zijn ook vragen te stellen over het opereren van de advocaten van Cees B. in deze zaak. Professioneel zullen zij zijn uitgegaan van de onschuld van hun cliënt. Dat betekent dat het van het grootste belang was om een daderspoor te verkrijgen.

Het inroepen van contra-expertise – zowel gericht op herhaling van het DNA-onderzoek van de diverse monsters als op hernieuwde onafhankelijke inspectie van kleding en andere aan de misdaad gerelateerde objecten – is dan aangewezen, omdat het vrijwel ondenkbaar is dat bij een dergelijk contactmisdrijf geen aan de dader gerelateerd DNA-spoor is achtergebleven.

Het NFI is niet volmaakt en een ander laboratorium heeft soms meer geluk in het vinden van duidelijke sporen. Als advocaten dit soort contra-expertise nooit inroepen, is een belangrijke controle op het NFI weg.

Ik ben bang dat de positie van het NFI, zelfs na deze zaak, niet structureel zal veranderen – daarvoor is het bolwerk van magistraten te machtig en vooral te eigenwijs.

Maar advocaten hebben een belangrijk middel in handen door te staan op contra-expertise. Al was het alleen maar om het NFI scherp te houden en om het OM bewust te maken dat ze beter maar niet al te eenzijdig kunnen zijn in het presenteren van bewijs.

Gerard te Meerman is Universitair Hoofddocent Bioinformatica en Statistische Genetica aan het Universitair Medisch Centrum Groningen.

    • Gerard te Meerman