De betere biobrandstof voor een beter milieu

Borren, Köhler en Langeveld bepleiten wettelijke kaders voor de import uit ontwikkelingslanden van plantaardige olieën die gebruikt worden als biodiesel (`Biobrandstof kan het milieu schaden', Opiniepagina, 22 augustus). Wij delen hun zorgen en ondersteunen maatregelen die een dergelijke praktijk aan banden leggen. Maar belangrijker dan regulering is de zoektocht naar echte alternatieven voor fossiele olie.

De noodzaak voor deze alternatieve transportbrandstoffen is hoog als we ons realiseren dat fossiele olie naar schatting in 2050-2070 zo goed als op zal zijn. De huidige hoge olieprijs is daar al een voorbode van. De Verenigde Staten hebben uitgebreide programma's opgezet, mede om onafhankelijk te worden van de olielanden in het Midden-Oosten. In Europa speelt het Kyoto-protocol een grote rol in de besluitvorming en is in 2003 besloten om het aandeel hernieuwbare grondstoffen in benzine en diesel op te voeren van 2 procent in 2005 tot 5,75 procent in 2010.

Wat zijn nu die alternatieve biobrandstoffen? In de praktijk wordt diesel vervangen door plantaardige olie uit oliehoudende zaden (koolzaad, zonnebloem, soja, palm) en benzine door ethanol gemaakt door vergisting van suikerriet, -biet, graan of maïs. Maar de problemen aangekaart door Borren, Köhler en Langeveld zijn reëel, dus hoe moet het dan wel?

Experts van bedrijven en kennisinstellingen die hun krachten bundelen in het Nederlands Instituut voor Industriële Biotechnologie (NIIB), hebben de mogelijkheden voor biobrandstoffen grondig onderzocht en komen tot andere oplossingen. Biobrandstoffen kunnen prima gemaakt worden uit reststromen van de landbouw, zoals maïsstengels, stro, bermgras, houtzaagsel en uit huishoudelijke reststromen zoals papier en GFT-afval.

Dit schept ook nieuwe mogelijkheden voor boeren in Europa. Nu ligt in Europa 5,6 miljoen hectare landbouwgrond braak op kosten van de belastingbetaler omdat er anders te veel landbouwoverschotten zouden ontstaan (zoals graan, suiker, wijn).

Biomassaproductie geeft Europese boeren een nieuwe afzetmarkt en een bron van inkomsten met de verbouw van gewassen, waarbij alle onderdelen van de plant gebruikt kunnen worden voor zowel voedsel als biobrandstof. Biomassaproductie hoeft daarom zeker niet te concurreren met de voedselproductie en kan ook de positie van boeren in ontwikkelingslanden versterken.

Daarbij staat een duurzame landbouw voor ons voorop, met behoud van de bestaande biodiversiteit en een verstandige omgang met de bodemvruchtbaarheid, waarbij de mineralen in de reststromen weer worden teruggebracht in de kringloop. Het NIIB wil daarom de issues op het gebied van ontwikkelingsproblematiek, concurrentievermogen en regelgeving die met de overschakeling op een `bio-based economy' samenhangen graag mee aanpakken.

Het verwerken van reststromen in regionale `bioraffinaderijen' kan het meest efficiënt plaatsvinden met de biotechnologische methode, waarbij de componenten uit de plantendelen afzonderlijk benut worden via omzetting door micro-organismen/enzymen. Dit levert bouwstenen als ethanol (te mengen met benzine) en butanol (te verwerken tot diesel), maar ook chemicaliën waarvoor nu in de petrochemie een grote hoeveelheid olie wordt gebruikt.

Een tweede methode gaat uit van omzetting door verhitting/vergassing. Dit levert zogeheten `syngas' op dat direct als brandstof kan worden gebruikt of weer verder (chemisch/enzymatisch) kan worden omgezet. De `syngas' route is echter energetisch veel minder efficiënt dan de biotechnologische route en daarom minder interessant.

Bio-ethanol uit stro wordt sinds kort geproduceerd in Canada door Iogen/Shell maar is nu nog duurder dan het directe gebruik van plantaardige olie of ethanol uit suikerriet. Dat komt omdat de benodigde hulpmiddelen (micro-organismen en enzymen) nog kostbaar zijn. Nederlandse biotechnologen werken hard om deze hulpmiddelen beter en goedkoper te maken en dat lijkt goed te lukken. Een prijsdaling ervan met een factor 10 is een reëel vooruitzicht. Zodra de industrie, gemotiveerd door de hoge olieprijs, grootschalig gaat investeren in de verwerking van agrarische reststromen kan de prijs van biobrandstoffen verder omlaag.

Han Bakker (Universiteit Utrecht), Patricia Osseweijer (Technische Universiteit Delft) en prof. Johan Sanders (Universiteit Wageningen) zijn allen lid van de Task Force voor Industriële Biotechnologie.