Commissaris Neelie Kroes heeft gelijk. Wat is sociale woningbouw?

De brief van Neelie Kroes is een aansporing voor het kabinet-Balkenende de aftrek van de hypotheekrente, de huursubsidies, de onroerendgoedbelasting, de vormgeving van de sociale woningbouw en de inkomstenbelasting in hun onderlinge samenhang te bezien, meent Arnold Heertje.

Het ziet er naar uit dat de losgebarsten discussie over plaats, nut en noodzaak van de woningcorporaties in ons economisch leven, het breekijzer wordt voor een grondige bezinning op gegroeide, deels versteende, maatschappelijke instituties en verstarde regelgeving. De discussie is in een stroomversnelling gebracht door de brief van de Europese Commissie aan minister Dekker over de financiering van de woningcorporaties.

De brief is geen initiatief van Europese Commissaris Neelie Kroes, zoals het wordt voorgesteld, doch weerspiegelt een reactie op een verzoek van het kabinet, de dagelijkse praktijk van de sociale woningbouw te toetsen aan de Europese wetgeving, in het bijzonder de artikelen 86 en 87 van het Verdrag. Deze toetsing levert de vaststelling op dat de corporaties de staatssteun en hun maatschappelijk kapitaal aanwenden voor commerciële activiteiten buiten de sfeer van de sociale woningbouw, zowel in binnen als buitenland en derhalve de concurrentie op de gemeenschappelijke woningmarkt vervalsen.

De Europese Commissaris voor de Mededing kan bezwaarlijk anders dan deze vaststelling openbaar maken. Voorts is zij gehouden een oplossing te bieden voor het herstel van gezonde concurrentieverhoudingen. Daarom is het niet vruchtbaar haar af te schilderen als een inquisiteur van de Nederlandse huurmarkt met het argument dat in haar zienswijze slechts plaats is voor óf de overheid óf de markt (Jan Kees Helderman in NRC Handelsblad, 8 september).

Tot de Europese Commissie is van oudsher doorgedrongen dat in het economisch leven uiteenlopende institutionele vormgevingen van handel, productie en dienstverlening bestaan met wisselende doseringen van publieke en private aspecten. Deze instituties zijn niet statisch doch in beweging, gedreven als zij worden door het voorzien in veranderende behoeften tegen zo laag mogelijke transactiekosten.

Deze fundamentele kracht in het economisch leven staat onder invloed van het voortschrijden van de techniek en botst met de bureaucratie, de neiging vast te houden aan het bestaande door risicomijdende beheerders. In het geval van de corporaties is het niet anders.

De gegroeide publiek-private constructie worstelt met de vraag in welke behoeften wordt voorzien en of deze voorziening tegen de laagste transactiekosten geschiedt. Het hanteren van de Europese mededingingswetgeving is een geschikt voertuig voor het maatschappelijke debat, omdat de aandacht wordt gevestigd op de specificaties van de huurders van woningen waarom het gaat en op de effectiviteit, efficiëntie en transparantie van de instellingen die op de behoeften van deze huurders inspelen.

Woningcorporaties voorzien in de behoefte aan sociale woningbouw. Maar wat is dat precies? Om welke huishoudens gaat het? Mensen met een laag inkomen? Hoe laag dan? Individuen, gezinnen of andere vormen van samenleven? Hebben studenten een sociale achterstand? Op deze vragen is geen duidelijk antwoord.

Het is begrijpelijk dat de Europese Commissie aandringt op een nadere omschrijving van de missie van de woningcorporaties, die rechtstreeks verband houdt met huishoudens die op achterstand staan. Het voorstel van minister Dekker sociale woningen te beperken tot een waarde van 200.000 euro biedt geen oplossing voor dit definitieprobleem.

De betekenis van de afbakening is dat corporaties woningen bouwen, kopen, verhuren en beheren die buiten de reikwijdte van de sociale woningbouw liggen. Aan deze onduidelijkheid moet een einde komen omdat de samenleving wil weten of publieke gelden het beoogde maatschappelijke effect sorteren en of commerciële verspilling wordt voorkomen.

Deze zienswijze is ook van toepassing indien de behoefte aan sociale woningbouw niet langer wordt beperkt tot kale woningen, doch zich uitstrekt tot het ontwikkelen van de omgeving, scholen, verzorgingshuizen en wijken.

Nauw verbonden hiermee is de vraag wie eigenlijk beslist over de besteding van de middelen voor sociale woningbouw. Voor de hand ligt dat de overheid een overheersende rol speelt.

In feite ligt de beslissingsmacht bij de directeuren van corporaties, die blootstaan aan de verleiding commerciële woningen te bouwen, risico's te vermijden en hun salaris te privatiseren. Minister Dekker dringt aan op transparantie, maar zij maakt geen vuist.

Richten wij onze blik op de transactiekosten van de ondoorzichtige coöperatie, dan tekent zich een somber beeld af. Door de vaagheid van de maatschappelijke taak is een oordeel over de effectiviteit van de organisatie onmogelijk.

Het afhankelijk maken van de bonus van directeuren van het slopen van huizen is een perverse prikkel, die niets met het bevorderen van efficiëntie van doen heeft. Of het maatschappelijk kapitaal waarover de corporaties beschikken doelmatig wordt aangewend, blijft in nevelen gehuld.

Als de brief van de Europese Commissie er toe leidt dat op al deze punten helderheid wordt verschaft, zodat de weg wordt gebaand voor een structurele verbetering van de institutionele vormgeving van de sociale woningbouw, dan is al veel bereikt.

Niettemin ligt nog een vergezicht in het verschiet. De brief van Neelie Kroes is een aansporing voor het kabinet-Balkenende de aftrek van de hypotheekrente, de huursubsidies, de onroerendgoedbelasting, de vormgeving van de sociale woningbouw en de inkomstenbelasting in hun onderlinge samenhang te bezien. Daarop wordt een ingrijpende herziening van de huisvesting in Nederland gebaseerd. Aan de slag en voorlopig geen brief terugschrijven is het devies.

Arnold Heertje oud-hoogleraar economie aan de Universiteit van Amsterdam.