Terug in het geliefde Veendam

Hij schreef de eerste Nederlandse encyclopedie, maar lag jaren in een anoniem graf. Afgelopen vrijdag werd Anthony Winkler Prins herbegraven.

De doodbidder die de kist laat zakken verwelkomt hem als een verloren zoon. ,,Anthony Winkler Prins, welkom thuis.'' 123 jaar na zijn vertrek uit Veendam en 97 jaar na zijn dood is Winkler Prins (1817-1908) weer terug in het Oost-Groningse dorp. Winkler Prins was doopsgezind predikant, dichter, maar toch vooral schrijver van de eerste Nederlandse encyclopedie. Zijn herbegrafenis, vrijdag, was sober en plechtig, maar niet verdrietig. Winkler Prins ligt nu in een nieuw graf op de Hervormde Begraafplaats, naast zijn moeder en zijn zoon Vincent.

De zwarte lijkkoets, getrokken door twee Friese paarden, houdt stil bij de plek van de vroegere pastorie, draait een rondje in het centrum en rijdt dan naar de kerk. Daar wordt de donkerhouten kist, die de botten van Winkler Prins en zijn vrouw Henriëtte bevat, uit de koets gedragen. De kerkklok luidt, de nazaten en genodigden gaan staan. Terwijl achterkleinzoon Jan Winkler Prins het leven van zijn overgrootvader memoreert, wordt Winkler Prins begraven.

Initiatiefnemer van de herbegrafenis is directeur Petra Maters van het Veenkoloniaal Museum. Zij ontdekte twee jaar geleden dat het graf van Winkler Prins in Voorburg er vervallen bij lag. Een schuinhangend steentje met nummer 48 was het enige dat zijn laatste rustplaats markeerde. Maters schrok. ,,Ligt hier een van Nederlands belangrijkste cultuurdragers? Hoort hij niet thuis in Veendam, waar hij 32 jaar dominee was?'' Maters benaderde de nazaten, die instemden met een herbegrafenis. Maters is ervan overtuigd dat Winkler Prins blij zou zijn geweest met zijn laatste rustplaats in Veendam, de plaats waar een scholengemeenschap en een passage naar hem zijn vernoemd en waar zijn standbeeld staat. ,,Op zijn tachtigste verjaardag gaf hij zijn dochter een envelop, die na zijn dood moest worden geopend. Daarin stond onder meer dat zijn doodsbericht alleen in de Nieuwe Veendammer Courant gepubliceerd mocht worden.''

Winkler Prins zette zich in voor de Veendammer gemeenschap. Dankzij zijn inspanningen kreeg het dorp in 1866 de eerste plattelands-HBS van ons land. Hij benaderde hiervoor toenmalig voorzitter van de ministerraad Thorbecke, die vijfduizend gulden subsidie per jaar voor de school toezegde. Het was overigens een scholengemeenschap avant la lettre, want ook de zeevaartschool, de latijnse school en die voor jonge juffrouwen maakten er deel van uit. Ook zette Winkler Prins zich in om Veendam aangesloten te krijgen op het spoor Groningen-Hoogezand.

Winkler Prins werd in 1817 geboren in Voorst als zoon van een arts, die later 28 jaar dorpsdokter op Schiermonnikoog zou blijven. Omdat zijn vader zijn studie natuur- en wiskunde niet kon bekostigen, schreef Anthony zich na zijn kandidaats in op het doopsgezind seminarie. Tussen 1850 en 1882 was hij predikant in Veendam, waar hij ook lid was van de vrijmetselaarsloge Het Noorderlicht. Hij bezat een brede kennis, dichtte en schreef diverse krantenartikelen en enkele populair-wetenschappelijke boeken over natuurkunde.

In 1860 kreeg hij van de Amsterdamse uitgever C.L. Brinkman opdracht tot het schrijven van een encyclopedie. Hij deed over de zestien delen dertien jaar. De vader van negen kinderen had een ijzeren discipline en een vaste dagindeling. Tussen acht uur 's morgens en vijf uur 's middags werkte hij op zijn studeerkamer. Na het eten las hij van zes tot zeven de krant. Daarna kregen zijn kinderen een uurtje aandacht. 's Avonds sloot hij zich weer op in zijn studeerkamer.

De dochter van zijn achterkleinzoon Jan Winkler Prins, Coot, zei bij zijn graf dat haar voorvader zich bewust was van de eindigheid van het leven. ,,Hij had ontzag voor Gods schepping en zou bij de huidige discussie over intelligent design een interessante gesprekspartner zijn geweest.'' Winkler Prins kreeg zelf het laatste woord. Zijn achterachterkleindochter citeerde hem met een gedicht van zijn hand: `Eenmaal zal 't zwarte zand/ als de nacht ons dekken/ En geen teed're vriendenhand/ uit de slaap ons wekken./ Sterveling vermoeid van kracht/ wie zou voor die ruste schromen?/ Daar is 't lijden weggenomen./ Goedenacht.'

    • Karin de Mik