`Strengere eisen stellen aan bewijs'

Rechters moeten zelfstandig onderzoek gelasten als ze vinden dat gepresenteerd bewijsmateriaal niet volledig overtuigend is. Aan een bekentenis van een verdachte moeten ze niet te veel bewijskracht ontlenen.

Dit zijn de twee belangrijkste `lessen' die de Rotterdamse rechters trekken uit het `zelfreflectie-onderzoek' naar de beslissingen in de zaak-Nienke. Zowel de Rotterdamse rechtbank als het gerechtshof in Den Haag veroordeelde ten onrechte Cees B. voor de lustmoord op het 10-jarige meisje Nienke in een park in Schiedam. De rechterlijke dwaling werd pas duidelijk toen de echte dader de moord bekende. Beide rechterlijke instellingen hebben gekozen voor zogeheten zelfreflectie. Naar eigen zeggen is dat een `novum' in de rechtspraak.

De rechters maken alleen `algemene bevindingen' uit het onderzoek openbaar. Hoe beslissingen exact genomen zijn, valt volgens de Rotterdamse rechtbankpresident F. van den Emster en president J. Verburg van het Haagse gerechtshof onder het `geheim van de raadkamer'. Uit het onderzoek van het hof zijn volgens Verburg ,,geen algemene bevindingen te melden'' die een verklaring geven voor de foutieve veroordeling.

De Rotterdamse rechtbank erkent van de zaak-Nienke te hebben geleerd. In het vakblad Trema schrijft Van den Emster: ,,De eerste les is dat bekentenissen, en in het bijzonder bekentenissen die naderhand zijn ingetrokken, met grote behoedzaamheid dienen te worden gebruikt bij het bewijs.'' In de zaak-Nienke had de rechter moeten kijken, stelt Van den Emster, of er aanleiding is aan de waarde van de (ingetrokken) bekentenis te twijfelen en of er sterke redenen zijn om die bekentenis voor het bewijs uit te sluiten. En: ,,Bij ernstige zaken zoals de Schiedamse Parkmoord, waarbij de bekentenis van de verdachte vaak het belangrijkste bewijsmiddel vormt, moet het mogelijk zijn die bekentenis op video vast te leggen.'' Alleen dan kan worden vastgesteld of de bekentenis, zoals vermoedelijk bij Cees B. onder zware druk van de politie tot stand is gekomen.

De aanbeveling behoedzaam om te gaan met bekentenissen staat haaks op een wijziging, begin dit jaar, in het Wetboek van Strafvordering. Nu geldt dat als een verdachte bekent, rechters de bewijsmiddelen niet verder hoeven uitwerken. ,,Men kan volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen.'' Dit nieuwe voorschrift heeft betrekking op het vonnis, maar het is niet uitgesloten dat rechters bij een bekennende verdachte ook op de zitting minder aandacht hebben voor overig bewijsmateriaal.

De tweede les is, volgens Van den Emster, dat de rechter bestand moet zijn tegen de druk die openbaar ministerie, verdachte of advocaat soms uitoefenen om een bepaalde aanpak te bewerkstelligen. Van den Emster vindt dat de rechter zich niet moet laten verleiden ,,tot wat hij niet wil en al helemaal niet om zich te laten weerhouden van wat hij noodzakelijk acht''.

interview pagina 3