De man met de hoge pijngrens

Sportbestuurder André Bolhuis zorgde ervoor dat hockey in Nederland van een elitesport uitgroeide tot een volkssport. En onder zijn leiding bereikte de Nederlandse olympische ploeg ongekende resultaten.

Hij noemt het ,,mijn afscheidstoernee'' en in zijn kielzog streek ruim een week geleden een bonte stoet vrienden neer tijdens het EK hockey in Leipzig. Vrienden van naam, althans in de hockeywereld, vrienden met wie sportbestuurder André Bolhuis naar eigen zeggen ,,aan een half woord genoeg heeft om de draad weer op te pikken'': Jan Albers, Wim Cornelis, Koos Formsma, Ties Kruize, Paul Litjens en Johan Wakkie. Samen vormen zij een select clubje zwaargewichten dat, zo luidt wel eens het verwijt, `de hockeyzaakjes onderling bedisselt en bekokstooft'.

Bolle, noemen die vrienden hem: Johan Henk André Bolhuis, geboren in 1946 in Zeist. Een man die naam heeft gemaakt als de bestuurder die hockey omvormde van elitesport tot volkssport. Bolhuis was zes jaar voorzitter van de hockeybond en in die periode maakte de bond een stormachtige groei door: van 127.000 leden tot 175.000 leden. De meeste hockeyclubs zijn geen gesloten sociale bolwerken meer, maar zijn inmiddels voor iedereen toegankelijk.

Hockey is Nederlands snelstgroeiende teamsport, die steeds professioneler wordt. Als een van de weinige sportbonden heeft de KNHB niet te klagen over gebrek aan sponsor- en mediabelangstelling. ,,Hockey leeft, en dat is mede André's verdienste'', zegt oud-ploeggenoot Ties Kruize.

Bolhuis was ook aanvoerder (chef de mission) van de Nederlandse sporters die deelnamen aan de Olympische Spelen van 1992 (Barcelona) en 1996 (Atlanta). En daarvoor was hij manager van de nationale hockeyploeg. Zelf kwam hij 128 keer uit voor het Nederlands hockeyelftal, met wie hij in 1973 de wereldtitel won in Amstelveen. Hij blonk uit in de finale tegen India, die Nederland won op strafballen. Al was het maar vanwege een achterwaartse snoekduik, waarbij Bolhuis de bal vlak voor tijd net voor de doellijn wegranselde.

Hij gold als een onverzettelijke verdediger, die opmerkelijk genoeg begon als aanvaller. Een speler ook met een hoge pijngrens. ,,Ooit speelde hij een wedstrijd uit met een gebroken vinger. Ieder ander had moord en brand geschreeuwd van de pijn, maar hij ging door'', vertelt zijn nestor Wim Cornelis. ,,We grapten altijd dat André behalve onder zijn schoenen ook onder zijn knieën nopjes moest hebben. Hij speelde namelijk gewoon door op zijn knieën als hij gevallen was'', zegt ook Bolhuis' voormalige teamgenoot Jeroen Zweerts.

Streng voor zichzelf, gedisciplineerd. ,,Hij begint altijd aan projecten en legt zich er dan helemaal op toe. Zijn proefschrift schrijven, chef de mission zijn, een oldtimer opknappen. Hij doet dan even níets anders'', zegt vriend Willem de Jong, met wie hij in z'n studententijd vier jaar een huis deelde. ,,Het zijn altijd projecten waarvan hij weet dat ze eindig zijn. Pas als hij klaar is, kijkt hij om zich heen of er weer een interessant project is.''

Zo druk als Bolhuis buitenshuis is, zo rustig is zijn privéleven. Hij woont in Soest, de gemeente waar hij is opgegroeid, en is getrouwd met zijn vriendin van de middelbare school, Alma Arts. Ze hebben één dochter. Nog altijd is hij bevriend met de oud-hockeyinternationals met wie hij indertijd samenspeelde. Hij golft elk jaar met de selectie die 32 jaar geleden de wereldtitel won. En vrijwel al zijn vroegere ploeggenoten zijn nog vaste klant in de Utrechtse tandartsenpraktijk van Bolhuis.

Op een goede dag klopte bij de Utrechtse hockeyclub Kampong een ,,zelfbewuste jongen van achttien jaar aan'', herinnert Wim Cornelis zich. ,,Hij ging op zichzelf wonen in Utrecht en had gekozen voor tandheelkunde. Voor die studie stond vijf jaar, dus ik zei tegen hem: als jij in zes jaar weet af te studeren, vriend, krijg jij van mij een krat champagne. Tot mijn verbazing was hij na 5,5 jaar klaar, maar ja, hij was dan ook serieus en gedreven, geen type-zuiplap.''

Veel drinken was er inderdaad niet bij, zegt De Jong. ,,We waren wel lid van het Utrechts studentencorps en gingen ook wel vaak naar de sociëteit, maar van doorzakken kwam weinig. André had strakke trainingsschema's, en daar hield hij zich aan. Hij hockeyde intensief en was een consciëntieuze student.''

Bolhuis komt niet uit `een typisch hockeygezin'. Zijn vader werkte bij een autohandelaar die een eigen handelsonderneming opzette, zijn moeder was huisvrouw, die vier kinderen (drie zoons, één dochter) opvoedde. ,,Ik heb een prettige jeugd gehad, met een voor die tijd redelijk liberale opvoeding, hoewel het nooit excessief werd. In de kern ben ik een gematigd mens'', zegt Bolhuis zelf.

Schaken was zijn grote liefhebberij. ,,Maar toen ik als ventje begon deel te nemen aan avondtoernooien en 's nachts pas rond twaalven thuis kwam, was het snel gedaan. `Ga jij maar lekker wat anders doen', zei mijn moeder.'' Dat werd eerst tafeltennis (,,dat kon ik verdomd aardig, al zeg ik het zelf'') en later hockey. Vanaf dat moment was Bolhuis van 's ochtends vroeg tot 's avonds laat op straat in de weer met bal en stick. Tussendoor maakte hij het gymnasium B af aan het Baarns Lyceum. Om zijn behendigheid te vergroten, speelde hij na verloop van tijd tegen vier tegenstanders. Hij was dertien toen hij zijn debuut maakte bij MHC Soest heren-I. Vraag hem naar het grootste wapenfeit uit zijn jeugd en met een twinkeling in de ogen vertelt Bolhuis dat hij in één seizoen 54 doelpunten maakte.

Het competitie-element zit in zijn genen. Als hij niet aan het hockeyen of schaken was, bridgde hij. ,,We hadden met het elftal tijdens toernooien in het buitenland vaak uren te doden op vliegvelden en hotelkamers. En dan gingen we eindeloos bridgen'', vertelt Jeroen Zweerts.

Zijn drie jaar oudere broer Fred trad in de voetsporen van hun vader, André niet. ,,Mijn vader en moeder zijn later naar Zuid-Frankrijk verhuisd, en als we daar samen kwamen dan waren Peter (zijn jongste broer, red.) en ik altijd een beetje de sulletjes. Wij hadden immers beiden voor tandheelkunde gekozen. Dat vonden Fred en mijn vader maar niets. Dat dédain maakte me nog vastberadener dan ik al was; ik moest en ik zou slagen als tandarts. Het is ook een prachtig vak: een combinatie van intensief je handen en je hersenen gebruiken.''

Zakelijk instinct erfde hij wél van zijn vader, weet Wim Cornelis. ,,André kan uren over economische projecten praten en alles wat daarbij komt kijken. Hij stort zich ook geregeld in een zakelijk avontuur''. Recent was Bolhuis betrokken bij de aanleg van een golfbaan bij Amelisweerd.

Zijn zakelijke activiteiten leiden soms tot kritiek. Bolhuis promoveerde op tandenletsel tijdens het hockeyen, en ontwikkelde vervolgens een gebitsbeschermer, waar hij ook een octrooi op bezit. ,,Die bitjes zijn enerzijds zijn verdienste, anderzijds een beetje zijn achilleshiel'', zegt KNHB-directeur Johan Wakkie. Het verwijt: Bolhuis adviseert de voorzitter van de hockeybond om spelers hun gebit te laten beschermen, terwijl hij zelf aan gebitsbeschermers verdient. Wakkie: ,,Als hij iets wil vermijden, dan is het wel de schijn dat hij zelf financieel beter wordt van zijn sport. Dat is pertinent niet zo.''

Gezichtsverlies leed Bolhuis twee jaar geleden, toen in de nasleep van het mislukte EK in Barcelona (vierde plaats) zes spelers het vertrek eisten van bondscoach Joost Bellaart. Bolhuis ging pal achter zijn in het nauw gedreven werknemer staan, maar kon niet voorkomen dat Bellaart uiteindelijk moest opstappen. Tot afgrijzen van Bolhuis werd het conflict breed uitgemeten in de media. In Leipzig keek Bolhuis onlangs terug op de affaire. ,,Ik neem het mezelf kwalijk dat ik niet beter heb geluisterd en meer heb doorgevraagd. Dan waren de problemen mij vroegtijdig duidelijk geworden.''

Toch had bij Bolhuis het belletje eerder kunnen rinkelen. Het WK van 1975 in Maleisië verliep desastreus (negende plaats), waarna de spelersgroep het vertrouwen opzegde in bondscoach Cees Tania. Toenmalig aanvoerder Bolhuis peilde de stemming en ging samen met collega-international Ties Kruize op de koffie bij de bondsvoorzitter. ,,Met het verzoek of hij een andere coach wilde aanstellen, want het kon zo niet verder'', herinnert Cornelis zich. ,,Ze deden het discreet en wisten het bestuur te overtuigen. Voor Tania was de uitkomst niet leuk, maar wat moest dat moest, vonden Ties en André.''

Dat was in de zaak-Bellaart ook Bolhuis' boodschap aan het adres van de zes muiters: een coach pootje lichten, prima, maar ga dan wél tactisch te werk. ,,Wat André irriteerde was het feit dat de sport beschadigd werd en in het verlengde daarvan ook mensen'', zegt Els van Breda-Vriesman, lid van het Internationaal Olympisch Comité. Zij is tevens voorzitster van de internationale hockeyfederatie FIH en kent Bolhuis al veertig jaar. ,,Dat heeft hem veel pijn gedaan.''

Tania's opvolger werd Wim van Heumen. Een man die, zo bleek later, veel zou vernieuwen in de hockeysport. ,,Maar net als de rest van de selectie zag Bolle het aanvankelijk niet zitten met een allround-sportman, die ook nog een afkomstig was uit het zuiden des lands'', herinnert Kruize zich. ,,Hij sloeg bij de eerste de beste training een bal snoeihard én op kniehoogte in de richting van Van Heumen. Tot zijn verrassing legde die de bal dood op z'n stick. Met die ene actie had hij het respect van Bolhuis gewonnen.''

In 1989 werd Bolhuis chef de mission van de Nederlandse olympische ploeg. Van Breda-Vriesman, destijds bestuurslid bij het Nederlands Olympisch Comité (Nu NOC*NSF), droeg hem voor. ,,André paste perfect in het profiel: creatief, enthousiast en intellectueel scherp. Daarbij is het een doelgericht mens, iemand die weet hoe de hazen lopen en zelf altijd voorop loopt.''

Cornelis steunde de voordracht. ,,Wat voor mij geldt, geldt voor hem: wij zijn medici, wij stellen een diagnose, komen dan met een plan van aanpak, en voeren dat vervolgens consequent uit.'' Bolhuis kan meedogenloos zijn, weet Cornelis. ,,Maar dat hoort bij het vak. Veel tegenstand heeft hij overigens nooit ondervonden, want als iemand weet dat je je einddoel ook via een omweg kan bereiken, dan is het André wel.''

Toch raakte Bolhuis drie jaar later in conflict met de man die nu zijn opvolger is als chef de mission bij NOC*NSF, Charles van Commenée. Die was tijdens de Spelen in Barcelona privé-coach van enkele atleten, maar kreeg geen toestemming om in het olympisch dorp te komen. ,,Ik was toen een angry young man voor wie het zoals bij zo veel jonge coaches allemaal niet snel genoeg ging. André was toentertijd het gezicht van NOC*NSF. In plaats van dat ik daar mijn werk kon doen, gingen de dagpassen naar oma's, vriendinnen en weet ik veel wie. Daar had ik moeite mee, en dat heb ik André ook verteld. Dat leidde tot een stevige verbale botsing.''

Vier jaar later hielden Bolhuis en de sportkoepel opnieuw hun poot stijf, toen een pupil van Van Commenée (verspringster Sharon Jaklofsky) in hun ogen niet had voldaan aan de kwalificatie-eis voor `Atlanta'. Daarop trok Van Commenée zich terug als coach.

,,Achteraf erkent André dat we toen meer in de begeleiding [van sporters] hadden moeten investeren'', zegt Van Commenée, die nu chef de mission en technisch directeur is bij NOC*NSF. ,,Dat halen we nu in, en ik heb de laatste tijd een paar keer met André gesproken. Om te leren van zijn ervaringen en niet dezelfde fouten te maken als hij toen. Ondanks onze botsingen is het wederzijdse respect groot. Hij is toch de man die in de jaren negentig de omslag binnen NOC*NSF heeft ingezet. Van een wat naar binnen gekeerde organisatie naar een club, die ineens fondsen wist te werven en sporters centraal zette.''

    • Mark Hoogstad
    • Frederiek Weeda