`Zusje, het plaisir heeft lang genoeg geduurd'

Claudine Taittinger, weduwe te Nice, haalt in brieven aan haar jonge neef, dj te Amsterdam, herinneringen op aan haar veelbewogen leven

Neef

Waarde neef,

Wel een vrij directe vraag in jouw laatste missive – hoe vaak ik gehuwd ben geweest! Mij staat alleen nog duidelijk die laatste keer voor ogen, met Gérard, wiens kostelijk vocht hier in Nice gebotteld de kelder uitpuilt. Even hoopte ik nog – toen het imperium-Taittinger onlangs door Yankees werd overgenomen – dat deze, door museale overwegingen gedreven, belangstelling zouden tonen voor deze verzameling. In dat geval ware een restauratie van de ingezakte erker in het verschiet gekomen.

Helaas – de champagne blijft in Franse handen. En Gérards familie – die de verbintenis met mij immer als een mésalliance heeft gezien – zal er bij het verpatsen van hun firma aan de Pernodjes ongetwijfeld zorg voor dragen, dat elk douceurtje in mijn richting bij de transactie is uitgesloten.

Enfin, ik prijs mij al gelukkig dat in de korte spanne huwelijksgeluk die het lot ons vergunde – anders dan bij zoveel andere echtelieden in onze kringen – onze intieme omgang zich niet beperkt heeft tot het feit dat wij elkaar tutoyeerden. Het tegendeel was het geval, mag ik wel zeggen. Al werd mijn amoureuze ijver niet louter door affectie ingegeven: ik achtte het van belang Gérard flink bezig te houden, teneinde niet onnodig terrein te cederen aan mademoiselle Yasmina.

Spass beiseite: terug naar 1939. Huiver beving mij, toen ik mijn zusje Laurentia door de euvele kolonel Dimitriescu zag meegevoerd naar de bovenverdieping van de Roemeense schrijversclub. De achtergebleven companen van de kolonel grijnsden, mijn disgenoten, de dichters, zwegen bangelijk. Toen Laurentia na een uur nóg niet was teruggekeerd, en mijn vrienden – excusez le mot – te bescheten bleken om enigerlei actie te ondernemen, wendde ik me in arren moede maar zelf tot de leden van de IJzeren Garde aan hun belendend tafeltje. Een van hen stond op en wenkte dat ik hem moest volgen.

Mijn gids deed ergens een deur open, die voerde naar een grote, schemerige ruimte, waaraan mijn ogen moesten wennen. Luttel was ik voorbereid op het tafereeltje dat zich geleidelijk in het halfduister voor mij aftekende. Kolonel Dimitriescu zat, een sigaar rokend, in vol ornaat op een bokkenwagen, en liet zich in een wijde cirkel door de ruimte rondtrekken. Geen viervoeter was het evenwel die voor de voortbeweging zorgdroeg. Met afgrijzen herkende ik Laurentia, op handen en knieën ingespannen voor het wagentje – een bit in de mond, een bosje rode pluimen op het hoofd. Zij was slechts gehuld in een lederen tuigje, aan de punt van haar kleine borsten bungelden belletjes. De kolonel had een kleine zweep in de hand, waarmee hij bij tijd en wijle een tikje gaf op de hem toegewende, wellustig bewegende derrière van mijn zuster. Als versteend keek ik toe, terwijl ik mij er rekenschap van gaf dat in het vertrek de geur van de sigaar van de bizarre passagier zich vermengde met de geur van de wellust.

Hoe vaak heb ik niet in mijn bewogen leven die geur geprezen en met volle teugen ingeademd – teken als zij is dat twee wezens zich in zaligheid verbonden hebben. Maar in die kale zaal in Bucarest werkte de odeur sinister. Ik zeeg neer naast de voor het karretje zwoegende Laurentia. ,,Zusje'', smeekte ik, ,,het plaisir heeft genoeg geduurd, volg mij naar huis''. Ten enig antwoord stiet Laurentia een kort hinniken uit.

Vraag mij niet hoe ik diezelfde nacht nog de weg naar de nachttrein, wég van Bucarest gevonden heb. Grimmige herinneringen aan belletjes, zweepjes en rode pluimen vermengden zich tijdens die treinreis in mijn koortsig brein met het ijzingwekkend spektakel van een Europa dat zich voor een nieuwe krijg opmaakte. Op alle stations in alle landen waren wenende vrouwen doende, afscheid te nemen van hun in kaki gehulde mannen. Het afscheid van mijn zuster, kwam mij aldus des te meer voor als het afscheid van een wereld.

Genoeg, voor heden. Ik begrijp van broer Arnout dat het Handelsblad – dat hij mij nog steeds met prijzenswaardige regelmaat opstuurt – zich opmaakt ochtendblad te worden. Is dat nu wel een goed idee? Ligt niet het gevaar op de loer dat de huisvaders van de Nederlandse bourgeoisie kattenkwaad gaan uithalen, wanneer hun de mogelijkheid ontnomen wordt zich des avonds in de huiselijke leunstoel geestelijk achter de avondcourant terug te trekken? Ogenschijnlijk kleine veranderingen leiden soms tot onvermoede maatschappelijke ontregeling!

Je tante Claudine

    • Claudine Taittinger