Woonwensen

peteke feijen – life events and the housing career. a retrospective analysis of timed effects – delft, eburon, 152 blz. universiteit utrecht, 25 februari 2005. promotoren: prof.dr. p. Hooimeijer, prof.dr. c.h. Mulder

Brief uit brussel. De Nederlandse woningcorporaties maken zich schuldig aan oneerlijke concurrentie met de commerciële verhuurders en moeten een deel van hun bezit verkopen. Iedereen loopt meteen te hoop in verontwaardiging, al blijft voorlopig onduidelijk wat de Europese Commissie nu precies wil. Een televisie-interview met de voor de brief verantwoordelijke commissaris Neelie Kroes maakt de verwarring alleen nog maar groter. Minister Dekker wekt in een eerste reactie niet de indruk blij te zijn met de Brusselse bemoeienis, al zou er op een nog veel radicalere manier dan ze zelf begin dit jaar gewild heeft een liberalisering van de huren door mogelijk worden. Goedkoper huren in Delfzijl, heel veel duurder in het centrum van Amsterdam.

Een mooi moment om eens even de huisvesting van de Nederlanders onder de loep te nemen. Begin dit jaar verscheen een proefschrift over, zoals dat dan zo mooi heet, de `wooncarrière' van de Nederlander. Het lijkt nogal evident dat er een relatie is tussen belangrijke gebeurtenissen in het leven als een huwelijk, de komst van kinderen of een echtscheiding en de keuze van een woning. Toch is daar weinig onderzoek naar gedaan, met als gevolg dat we eigenlijk niet weten hoe het echt zit. Dat is ook in de discussie over de volkshuisvesting goed te merken. Er wordt wel heel gemakkelijk gesproken over de doorstroming op de woningmarkt, maar men denkt in het beleid dan meestal toch minder aan de wensen van de bewoners dan aan de financiële ruimte van potentiële huurders of kopers. Een paar jaar geleden publiceerde minister Remkes, toen nog staatssecretaris van VROM, een nota onder de titel `Mensen Wensen Wonen' en dat was bepaald een nieuwe visie.

De wooncarrière van de Nederlander begint typisch in een rijtjeshuis, dat in de meeste gevallen ook eigendom van zijn ouders is. Zijn doel is, al beseft hij dat meestal pas veel later, ook zelf in zo'n rijtjeshuis weer zijn eigen kinderen groot te brengen. Als het allemaal erg meezit, zullen de kinderen een rianter ouderlijk huis – een twee onder één kap of een vrijstaand huis – verlaten dan waarin ze geboren zijn. Anders dan vroeger beginnen kinderen als jong volwassene meestal alleen en in ieder geval ongetrouwd hun woonloopbaan. Ze doen dat in de meeste gevallen in een onderkomen dat de vergelijking met thuis niet zal kunnen doorstaan. Een kamer of een kleine flat in een minder gewilde buurt, een plek waar men later alleen naar terugkeert als het allemaal mis is gegaan. Tot nu toe is dat meestal als gevolg van een echtscheiding, in de toekomst waarschijnlijk ook steeds meer als men er na verlies van een baan niet in slaagt binnen redelijke tijd opnieuw aan de slag te komen. Sneller dan tot nu toe zal vanaf 2006 een werkloze genoegen moeten nemen met een bijstandsuitkering en dan kun je toch al heel snel niet meer op stand wonen. Overigens is het in het onderzoek van Peteke Feijen interessant om te zien dat in geval van echtscheiding de vrouw toch meestal degene is die het meest achteruit gaat in woningkwaliteit.

Beleidsmakers zien de wooncarrière graag uitlopen in de overgang van een heel huis naar een serviceflat of in ieder geval een kleiner huis. Dat gebeurt veel minder vaak dan zij wenselijk vinden en bovendien ook veel later in het leven.

De meeste mensen hechten zeer aan hun huis en de vertrouwde omgeving en geven dat pas op als het echt niet meer anders kan. Al die malle verhalen over kinderen die hun ouders in een verzorgings- of verpleeghuis weg stoppen, moeten maar eens de wereld uit. Van de 2,3 miljoen 65-plussers in Nederland leeft ongeveer 7% in een instelling en de gemiddelde leeftijd ligt daar ruim boven de tachtig jaar.

Voor de meeste mensen heeft wonen weinig met markt te maken. Misschien wel te weinig, want als ze willen huren, hebben ze vooral met lange wachttijden te maken. Als ze willen kopen, moeten ze wel fors wat eigen geld meenemen om succesvol als starter de markt te betreden. Meer dan 54% van de Nederlanders woont nu in een eigen huis (vijftig jaar geleden was dat percentage bijna de helft lager), maar de zeer sterk gestegen prijzen maken een eigen huis bijna alleen nog maar mogelijk voor wie al een eigen huis heeft.

De koopmarkt is een markt van huizenverkopers geworden – mede daarom blijven de prijzen zo hoog, ook al staan er meer dan 100.000 huizen te koop. De huurdersmarkt is bijna bewegingsloos geworden, omdat er nog maar weinig huurhuizen bijgebouwd worden en verhuizen mede daarom nauwelijks mogelijk is. Zeker voor de ruim een miljoen huishoudens met huursubsidie – een op iedere drie huurders en bij de corporaties zelfs bijna een op de twee – is niet alleen het kopen van een huis onmogelijk geworden, maar ook het verhuizen naar een duurder huis in de huursector.

Het overgrote deel van de huurwoningen is in handen van ongeveer 500 corporaties. Het is aan hen en aan de overheid te danken dat de gemiddelde kwaliteit van de Nederlandse huurwoning goed is en het land zelf stedebouwkundig internationaal hoog in aanzien staat. Hoewel er nog veel te verbeteren valt aan het functioneren van de huursector en van de corporaties, is het weinig waarschijnlijk dat een plotselinge radicale liberalisering van het bestand, laat staan de verkoop daarvan, ook economisch gezien verstandig is. Er is nog steeds – of weer opnieuw – sprake van echte woningnood, zeker in het westen van het land en de bouwproductie ligt onder het niveau dat nodig is om de groei van het aantal huishoudens bij te benen. Een jong gezin heeft nu zelfs minder kans in een eengezinswoning te wonen dan tien of vijftien jaar geleden. Dat blijft voorlopig zo, want de woningvoorraad groeit maar lastig, er komt geen procent (dat zouden 70.000 nieuwe huizen zijn) bij en voorlopig neemt het tekort alleen maar toe. De wooncarrière verloopt moeizaam en meer commercialiteit zal vooral de verschillen in het verloop van de carrière alleen maar groter maken. Tijd voor een brief naar Brussel dus.

    • Paul Schnabel