Vrolijke beeldentuin van afval in strak Chandigarh

Lex Veldhoen reist naar de modernistische stad Chandigarh in India, maar beleeft pas echt plezier aan een bijzondere beeldentuin bij de stad

Chandigarh, aan de voet van de Noord-Indiase Himalaya, werd vanaf 1950 in opdracht van president Nehru ontwikkeld als een totaal nieuwe, utopische stad. Het moest de hoofdstad van Punjab worden, omdat Lahore aan Pakistan toeviel bij de opsplitsing van India. Oorspronkelijk kregen de Amerikaanse stedenbouwkundige Albert Mayer en de Poolse architect Matthew Nowicki de opdracht, maar na Nowicki's dood werd de Zwitsers-Franse architect Le Corbusier uitgenodigd.

Bij aankomst in het donker lijkt Chandigarh 's avonds een desolate vlakte met her en der een betonnen gebouw. Maar als ik het de volgende dag verken, toont zich de mooie kant. In een park, met een rozen- en een bougainville tuin, maar ook in het groen langs de avenues, zitten tussen de middag groepjes mensen bijeen. En langs het meer, met waterfietsen, restaurants en paviljoens, tegen een decor van bergen, heerst een ontspannen drukte. Maar er zijn ook desolate pleinen die alleen 's avonds gezellig worden als ze bevolkt raken met een kooplustig publiek.

De stad, met 900.000 inwoners, is gebouwd als een levend organisme: kop en hersenen in het noorden (regeringsgebouwen en universiteit), handen (industrie) en het hart (zakencentrum). De maatvoering van gebouwen en woningen werd gebaseerd op de maten van het menselijke lichaam.

Maar ondanks de heldere stadsplanning heeft mijn riksjarijder moeite het Indian Coffee House (hij moet vier keer de weg vragen). Twee oldtimers in het prestigieuze etablissement spreken met niets dan lof over de stad: ,,Er is hier ruimte en het is schoon. In andere steden ligt op iedere straathoek vuilnis.''

Maar de meningen over de stad lopen uiteen. Volgens sommigen is het een meesterwerk van een ontzagwekkende schoonheid; on-Indiaas zonder verkeerslawaai, bazaardrukte, koeien en bedelaars. Volgens anderen is het een stad zonder ziel, op westers imperialistische leest geschoeid, alleen bedoeld voor beter gesitueerden (voor de bouwvakkers was destijds geen woonruimte en ook nu nog dijen aan de stadsrand sloppenwijken uit).

Aan de noordkant van Chandigarh zijn de ambtenaren gehuisvest in een kolossaal langgerekt gebouw, ontworpen door Le Corbusier. Daarachter staat de Assembly Hall met een gewelfde, betonnen luifel. Op de toegangsdeuren (1010 meter) heeft Le Corbusier een prachtige Picasso-achtige schildering aangebracht, maar de vergaderzaal erachter wordt niet meer gebruikt vanwege de slechte akoestiek.

De Assembly Hall ligt aan een kale betonnen vlakte met ver weg, aan de overzijde, het High Court, waarbij de betongrauwheid wordt onderbroken door roze, lichtgroene en gele pilaren. Dit zijn de enige gebouwen van de architect die in Chandigarh zijn gerealiseerd. De rest werd in zijn geest gebouwd door een team Indiase architecten, dat echter elke ronde vorm – waarmee Le Corbusier juist accenten legde – uitbande.

BEELDENTUIN

Chandigarh en de beeldentuin Rock Garden grenzen aan elkaar en zijn beide gerealiseerd door visionaire mannen, maar een groter contrast is amper denkbaar. Chandigarh is gepland door een wereldberoemd, modernistisch architect, volgens een strak stramien. De beeldentuin daarentegen is op intuïtieve, spontane wijze gegroeid; kleurrijk, met weelderige, ronde vormen. Het is een schepping van kunstenaar Neck Chand. Het lijkt wel alsof de autodidact meer gevoel heeft voor de menselijke maat dan de beroemde architect; hij wist – een verademing na `de leegte van Chandigarh' – intieme ruimten in de openlucht te creëren.

Deze voormalige weginspecteur begon in 1958 afvalmateriaal te verzamelen op afvalhopen en tijdens inspectieronden: stukjes van badkamertegels, machineonderdelen, bouwpuin, plastic, stopcontacten, lege olievaten en electriciteitsdraad. Hij maakte er in zijn weekeinden, bij een hut in een bos kleurrijke beeldjes van, 's avonds bijgelicht door een vuur van auto- en fietsbanden. Hij bekleedde ze met spiegeltjes, glas, aardewerk, porselein, kralen en kleurige stukjes armband, die Indiase vrouwen dragen en die prachtig glanzen in de zon. Zelfs zijn vrouw wist aanvankelijk niets van de tuin.

In 1972 kwamen arbeiders tijdens het bouwrijp maken van grond voor een stadsuitbreiding achter Chand's creatie. Vernietiging dreigde, maar zijn beeldentuin baarde opzien en de gemeente ging Chand zelfs financieel ondersteunen, zodat hij assistenten kon inhuren. In 1976 werd de tuin opengesteld voor publiek.

Het geheel doet denken aan soortgelijke tuinen in Spanje en Frankrijk van Gaudi en Le Facteur Cheval, maar overschaduwt het qua omvang met zijn duizenden beelden. Chand werd internationaal bekend en bijvoorbeeld Museum Guislain (outsiderkunst) in Gent bezit enkele van zijn beelden. De tuin wordt dagelijks bezocht door zo'n 4.000 toeristen. Ook nu nog is Chand, in de tachtig, er regelmatig te vinden.

Als ik 's morgens bij de tuin aankom, zit hij thee te drinken in een kleine, ommuurde binnenplaats die vol staat met lege flessen: creatief materiaal dat nog verwerkt moet worden. De binnenplaats grenst aan zijn kantoortje, waar een foto van hemzelf met Indira Gandhi hangt. Chand: ,,Ik heb geen opleiding gehad, weet niets van constructie, architectuur of kunst. Het is me door god gegeven, anders kan ik ook niet verklaren dat ik dit heb gemaakt. En ik heb vaak naar de gebouwen van Le Corbusier gekeken.'' Waarom is hij ooit aan de beeldentuin begonnen? ,,Voor mijn plezier, als hobby. Ik had geen achterliggende gedachte of doel en had niet voorzien dat het hiertoe zou leiden.''

APEN & TIJGERS

Chand creëerde zijn eigen koninkrijk: een labyrintisch landschap met folies, grotten, kloven, kronkelende en verzonken paden, waterpartijen en meanderende beekjes met balustrades van cementrustiek. Het pad voert langs glooiende plateaus van wit mozaïek, vol figuren op halve grootte van de mens, die met hun verstarde blik en enigszins knullige houding doen denken aan `primitieve' Afrikaanse godenbeelden. Hele legers staan er, terwijl pauwachtige vogels op muren de wacht houden. Geen twee beelden zijn gelijk.

Chand heeft de tuin in fases gerealiseerd; de eerste twee gedeelten geheel alleen. Het hoogtepunt is een groep vrouwen voor een waterval met waterkruiken op het hoofd. Op zonnige momenten toont zich in de waternevels een prachtige regenboog. Het vormt de overgang naar de `paleistuin', de derde fase, die over enkele jaren voltooid zal zijn. Hier gaat de intimiteit van vroeger werk over in een grote ruimte met een openluchttheater, die momenteel door arbeiders met een tegelmozaïek wordt bekleed. Onder colonnades en booggewelven van arcades – opgetrokken uit jutezakken met versteend cement – vermaken Sikhs met kleurige tulbanden en vrouwen in sari's zich op reuzenschommels.