Verplichte kost voor bèta's

Eerstejaars van de Leidse bèta- en de letterenfaculteit bespraken op hun eerste studiedag een roman van de Hongaarse schrijfster Magda Szabó.

EERSTEJAARSSTUDENTEN wiskunde en natuurwetenschappen in Leiden bespreken een literair werk. Op hun eerste studiedag. Een ongebruikelijk begin voor eerstejaars bètastudenten. Maar decaan Frans Saris van de faculteit wiskunde en natuurwetenschappen vindt van niet. ``De maatschappij mag van een universiteit verwachten dat ze studenten naast een gedegen vakopleiding ook een academische vorming meegeeft. Daarbij hoort een kennismaking met allerlei culturele uitingsvormen, waaronder literatuur. En we willen daar zo vroeg mogelijk mee beginnen.'' Volgens hoogleraar geschiedenis van de natuurwetenschappen Rob Visser, een van de trekkers van het project, hebben vooral de jonge studenten op zijn faculteit belangstelling voor literatuur. ``Mijn indruk is dat die belangstelling niet onderdoet voor die van letterenstudenten.'' Op vertrouwelijke toon voegt hij er nog aan toe: ``De geletterdheid van de alfa's wordt een beetje overschat hoor.''

Bij deze boekbespreking, Eerstejaarsboekdag heet het project, zitten de eerstejaars van de letterenfaculteit en de eerstejaars van de bètafaculteit bij elkaar. Ze bespreken in werkgroepen de roman De Katalinstraat van de Hongaarse schrijfster Magda Szabó. De vragen die daarbij rijzen, worden aan het einde van de middag aan Szabó voorgelegd. Het idee voor een Eerstejaarsboekdag komt van hoogleraar taalwetenschap Arie Verhagen van letteren. Vorig jaar ontving zijn faculteit de eerstejaars ook met een boekbespreking. ``Onze studenten vonden het heel leuk'', herinnert Verhagen zich. Hij vindt het wel spannend, die bètastudenten erbij. ``Als we deze extremen met elkaar kunnen verbinden, biedt dat perspectief om wellicht nog andere faculteiten te gaan betrekken bij dit project.''

Toen Rosa Runhardt (18), eerstejaars natuurkunde, De Katalinstraat in haar brievenbus kreeg, dacht ze: ``Dat gaan natuurkundestudenten natuurlijk nooit lezen.'' Het boek draait om drie gezinnen die tot de Tweede Wereldoorlog bij elkaar wonen in de Katalinstraat. Geen thema voor natuurkundestudenten, vindt ze. ``Ik kan me voorstellen dat je, als je een boek bespreekt met natuurkundestudenten, een autobiografie kiest van een bekende natuurkundige ofzo. Ik had dat logischer gevonden.'' Maar ze heeft de roman wel goed gelezen, blijkt als de werkgroepen beginnen.

In de werkgroep van Runhardt zit ook eerstejaars sterrenkunde Gilles Otten (18). ``Vanuit mezelf had ik dat boek nooit gelezen'', zegt hij. ``Maar na afloop moet ik bekennen dat ik er toch wel van genoten heb.'' Een boek lezen is één, er over discussiëren is iets heel anders. Dat blijkt niet voor alle eerstejaars weggelegd en ook niet voor Otten. Af en toe probeert hij een bijdrage te leveren, maar hij slaagt er niet in de mondige letterenstudenten te onderbreken. Of toch: hij geeft zijn mening over de vrouwelijke hoofdpersoon. Maar dan nemen de letterenstudenten het weer over. Alleen Runhardt doet niet onder voor de letterenstudenten. Ze neemt regelmatig het woord: ``Wat ik me afvraag is: waarom zou Szabó voor deze vorm gekozen hebben? En hoe heeft ze het aangepakt? Heeft ze het verhaal eerst chronologisch geschreven en toen door elkaar gehusseld? Of is ze echt begonnen waar het boek begint.''

Tashina Blom (18), eerstejaarsstudent literatuurwetenschap, zat in een andere werkgroep. Ze is niet te spreken over de bijdrage van de bèta's in haar groep. ``Ze hebben een heel ander taalgebruik. Ze analyseren het boek op zo'n gortdroge manier. Het boek wordt herleid tot een paar feiten, er blijft niks meer van over.'' Blom praat met Vera de Sterke (19), ook van literatuurwetenschap, nog even na. ``Bij mij in de werkgroep was een bètastudent die zei: bij dit boek moet ik zo nadenken, daar houd ik niet van.'' Zelf leest De Sterke liever science fiction.

Schrijfster Magda Szabó zit op een oranje stoel voorin de Pieterskerk. Ze draagt een zwart vest met rode rozen. De enorme varens achter haar doen de Hongaarse nog kleiner lijken dan ze al is. Zo'n vijfhonderd eerstejaarsstudenten, van letteren en wiskunde en natuurwetenschappen, luisteren aandachtig. Szabó is eind tachtig en schreef De Katalinstraat meer dan dertig jaar geleden. Misschien dat haar antwoorden op de vragen van de studenten daarom wat vaag zijn. Jan-Willem Schoonen (26), vijfdejaars biofarmaceutische wetenschap, moet er hartelijk om lachen. ``Ze antwoordt af en toe wat vreemd, maar dat vind ik wel bij haar passen. Het boek is tenslotte ook een beetje vreemd.'' Schoonen begeleidde een groep eerstejaars bij de boekbespreking in werkgroepen. De Katalinstraat is de eerste roman die hij in tien jaar heeft gelezen. Op de middelbare school kwam hij weg met het lezen van samenvattingen, nu heeft-ie het boek van begin tot eind gelezen. ``Van de eerste honderd bladzijden snapte ik echt geen bal, maar toen het kwartje eenmaal viel, werd ik erdoor gegrepen.''

Studenten literatuurwetenschap Blom en De Sterke vonden het interview met de schrijfster teleurstellend. ``Ze ontweek de vragen gewoon.'' Maar de Eerstejaarsboekdag als geheel vinden ze wel geslaagd. Nuttig ook met die bèta's erbij. ``Dan zien de bèta's tenminste ook eens hoe wij alfa's bezig zijn'', zegt De Sterke. Blom knikt: ``Zien ze tenminste dat het echt niet zo simpel is: een boek analyseren.''