Thuisdoktertips

Patiënten die van hun huisarts een boekje zelfzorgtips krijgen, komen minder vaak op consult. Maar Turken raken er ook onzeker van.

`VANOCHTEND had ik een Turkse man op consult die vroeger heel vaak kwam. In paniek stond hij op de stoep als zijn kinderen een dag koorts hadden.' De Haagse huisarts Joost van Rens vertelt over een belangrijke bron van ongenoegen voor hem en zijn collega's: patiënten die om de haverklap langskomen met onschuldige klachten als hoofdpijn, buikpijn en hoest.

Zeven jaar geleden begon Van Rens daarom samen met zes andere praktijken in Den Haag een project om die onnodige consulten te verminderen. Ze gaven boekjes aan hun patiënten met zogenaamde `zelfzorgtips': paracetamol slikken bij hoofdpijn, genoeg drinken bij diarree. Soortgelijke initiatieven (zoals boekjes die per post verstuurd werden) hadden in het verleden niet altijd succes, maar deze persoonlijke aanpak werkte veel beter dan verwacht. De patiënten gingen veel minder naar de huisarts. Maar er was een onverwacht neveneffect – opeens bleven de zelfzorgmiddeltjes in de kast. Sociaal psycholoog Anne Marie Plass voerde het onderzoek uit en promoveerde er afgelopen week op aan de Vrije Universiteit.

Het boekje Tips voor de thuisdokter (1998) beschrijft twaalf veel voorkomende klachten en geeft ideeën voor zelfhulp (zie kader). Huisartsen uit de Bommelerwaard (Gelderland) hebben het boekje een paar jaar eerder geschreven, en werkten er naar tevredenheid mee. De Haagse artsen kortten het in, en lieten het vertalen in het Turks en Arabisch. Als ze het boekje aan patiënten gaven, gaven ze ook een korte uitleg over het gebruik ervan.

laag opgeleid

Psycholoog Plass volgde voor haar onderzoek 162 Haagse patiënten die het boekje kregen: 70 Nederlanders, 72 Turken en de rest van andere allochtone afkomst. Ze kwamen allemaal meer dan vijf keer per jaar op consult. De meesten van hen waren laag opgeleid; 69% had alleen basisschool, 67% zat zonder werk. Vooral jonge, getrouwde vrouwen met kinderen deden mee aan het onderzoek.

Plass' collega's enquêteerden patiënten voor het uitdelen van de boekjes, en zes en twaalf maanden daarna. Ze brachten in kaart welke klachten ze hadden, hoe vaak ze naar de huisarts gingen en of ze aan zelfzorg deden. Ook werd gevraagd hoe patiënten dachten over huisartsenbezoek en zelfzorg: `Hoe denkt u zelf over dat gedrag?', `Wat vindt uw omgeving ervan, volgens u?' en `Voelt u zich zeker of juist onzeker over uw gedrag?'

Na een jaar maakte Plass de balans op. ``Het had veel meer effect dan we hadden durven dromen. Dat voorlichting zo beklijft, is uitzonderlijk.'' Zowel de Nederlandse als de Turkse patiënten dachten een half jaar nadat ze het boekje hadden gekregen, minder positief over huisartsbezoek dan daarvoor. Tegelijkertijd liep ook het aantal consulten voor alledaagse klachten terug. De Turkse patiënten gingen voorheen 7,4 keer per jaar, nu nog maar 4 keer. Ook de Nederlanders kwamen minder: van 4,6 naar 2,6 per jaar. Hoe nauwkeurig die resultaten zijn, is niet helemaal duidelijk. De cijfers zijn schattingen van de patiënten zelf. Hun dossiers gaven veel lagere getallen, maar laten ook een afname zien. De psycholoog vermoedt dat de dossiers vaak niet kloppen: ``Soms komen de patiënten terloops met een vage klacht, en houdt de huisarts dat niet bij. Uit ander onderzoek blijkt dat patiënten hun artsenbezoek in het algemeen goed inschatten.''

Voor de zeven Haagse huisartspraktijken, allemaal gelegen in achterstandswijken als de Schilderswijk en Transvaal, is dat een gunstig resultaat. De werkdruk voor artsen in zulke buurten is groot. Zowel allochtonen als laag opgeleiden vinden zichzelf relatief vaak ongezond, ze hebben meer klachten dan de gemiddelde Nederlander en ze gaan vaker naar de dokter, zo beschrijft de Tweede Nationale Studie naar ziekten en verrichtingen in de huisartsenpraktijk (NIVEL/RIVM 2004).

Bovendien blijkt uit aanvullend NIVEL-onderzoek dat deze zomer verscheen, dat juist ouderen, laag opgeleiden en niet-westerse allochtonen relatief vaak bij de dokter komen voor onschuldige klachten. Plass: ``De artsen hebben dit project zelf opgezet omdat ze ontevreden waren. Vanwege de werkdruk, en omdat ze met allochtone patiënten niet goed konden communiceren. Uit groepsgesprekken was gebleken dat de patiënten ontevreden waren over het contact met de huisarts.''

Het voordeel dat de allochtone patiënten van de boekjes hadden, viel echter tegen, want er was een onbedoeld en onverwacht neveneffect. De Turkse patiënten waren na een jaar niet meer aan het thuisdokteren zoals het boekje beoogde, maar juist minder. Anne Marie Plass: ``Wat we niet wisten, is dat deze mensen al heel veel aan zelfzorg deden.'' Voor elke onschuldige klacht had driekwart van de patiënten, zowel allochtonen als autochtonen, wel een maatregel genomen – en vaak was dat iets dat de dokter zelf ook zou adviseren. Hooguit waren er enkele culturele verschillen: bij buikpijn eten Nederlanders beschuitjes, Turken drinken lauwe melk - wat volgens artsen nog nuttiger is ook.

giswerk

Waarom de effectieve zelfzorg in de Turkse groep verminderde is Plass niet duidelijk. De patiënten werden negatief over thuisdokteren, en voelden zich onzekerder over hun eigen zelfzorggedrag. Plass: ``Mogelijk lag het aan de formulering van de brochure.'' In het boekje stond onder Hoesten bijvoorbeeld als bovenste tip: `U hoeft de eerste 14 dagen niets te doen.' Misschien dachten de patiënten: de huisarts zegt dat ik niks moet doen, dus ik doe niks.''

Het boekje gaf wel geruststelling aan Nederlandse patiënten. Plass: ``Ik denk dat we de boodschap dus moeten veranderen. Je moet benadrukken dat de patiënt het goed doet, wat zelfzorg betreft.'' Omdat het project nog tot januari 2006 loopt, is de brochure op basis van Plass' ideeën aangepast – de nieuwe versie verscheen begin vorig jaar. De formulering over `niets doen' is verdwenen. Zelfzorgtips worden juist uitgebreider gegeven: het boekje behandelt meer klachten, en het is voor migranten van andere nationaliteiten in het Frans en Engels vertaald. Volgens Stans Kraetzer, de Haagse projectcoördinator van het Thuisdokter-project, zijn inmiddels duizenden brochures uitgedeeld door huisartsen, apothekers en migrantenwerkers. ``Het wordt altijd persoonlijk gegeven, het ligt niet op de balie. Dat hebben we wel van dit onderzoek geleerd.''

Een andere kanttekening die Plass maakt, is dat de voorlichting regelmatig herhaald moet worden. In haar onderzoek was van het effect van de boekjes na twee jaar niet veel meer over. Plass: ``Dat zie je eigenlijk altijd bij gezondheidsvoorlichting. Mensen raken boekjes kwijt, vergeten de informatie.'' Hoe gaat dat in de praktijk? Huisarts Van Rens zegt dat hij met patiënten als de Turk met de koortsige kinderen regelmatig telefonisch overlegt over zelfzorg. Van Rens: ``We noteren het in het dossier als patiënten een brochure gehad hebben, en alle nieuwe patiënten krijgen er ook een.'' Jan Wuister van Gezondheidscentrum de Rubenshoek: ``We delen de boekjes nog steeds uit. Patiënten stellen het op prijs. Ik geef ze vooral aan ouders met jonge kinderen, die zitten met veel vragen. Ik zie nu minder patiënten dan vroeger die eigenlijk niet zouden hoeven komen.''

Patiënten waren ontevreden over het contact met de huisarts

    • Hester van Santen