SGP mag vinden wat ze wil - ongesubsidieerd

Het bevel van de Haagse rechter om de staatsubsidie aan de SGP op te schorten zolang deze partij het lidmaatschap van vrouwen niet toelaat, is in die kringen hard aangekomen. Dat hoeft niet te verbazen voor een partij die in 1918 mede werd opgericht uit principiële afwijzing van de invoering van het algemeen vrouwenkiesrecht. Daarvoor baseert de partij zich op de zogeheten `zwijgteksten' in het Nieuwe Testament, zoals in de eerste brief van de apostel Paulus aan de kerk van Korinthe: ,,Zoals in alle gemeenten der heiligen moeten de vrouwen in de gemeente zwijgen; want het is haar niet vergund te spreken, want zij moeten ondergeschikt blijven, zoals ook de wet zegt'' (1 Kor. 14,34). Het recht op vrouwendiscriminatie is zo bezien het kroonjuweel van de SGP.

In de partijgelederen van de Staatkundig Gereformeerde Partij zorgt mevrouw Grabijn-Van Putten, die ooit per vergissing het lidmaatschap kreeg aangeboden, al veel langer voor debat over het `vrouwenstandpunt' van de SGP. Dat resulteerde erin dat de mannenbroeders in 1997 statutair vastlegden dat vrouwen geen volwaardig lid kunnen worden, geen stemrecht hebben en geen politieke en bestuursfuncties mogen uitoefenen. Tot de opstand van mevrouw Grabijn waren bijbelteksten voldoende geweest om vrouwen in eigen kring te ontmoedigen.

Sinds de ongelijkheid in de statuten is verankerd, kan die door de rechter worden getoetst. In een geding, aangespannen door een breed spectrum van vrouwenrechtenorganisaties, heeft dat nu geleid tot het oordeel dat de staat zijn internationaalrechtelijke verplichtingen dient na te komen om op te treden tegen discriminatie. Met het bevel tot stopzetting van subsidie kiest de rechtbank voor een relatief elegante maatregel. Op grond van de wet mag een politieke partij die zich schuldig maakt aan discriminatie ook worden verboden. Daarmee wordt binnen het Nederlandse politieke bestel terecht zeer terughoudend omgesprongen. Het is immers van groot belang dat in 's lands vergaderzaal de pluriformiteit van de samenleving wordt weerspiegeld.

Van SGP-zijde wordt nu opgemerkt dat dit vonnis indirect de doodsteek is voor de partij. Voorzitter Kolijn spreekt in dit verband van een ,,pariastatus''. Fractievoorzitter Van der Vlies in de Tweede Kamer vreest dat met het wegvallen van de structurele rijksgelden de bijl aan de wortel van de partij wordt gezet. Daarin zou deze politieke voorman gelijk kunnen krijgen. En hoewel hij wellicht als eerste zal erkennen dat politieke partijen niet een doel op zich moeten zijn, raakt de uitspraak van de rechter hier aan grondrechten als de vrijheid van meningsuiting en van godsdienst. Gelijkheid van man en vrouw heeft voorrang gekregen.

Vastgesteld kan echter ook worden dat de vrijheid van meningsuiting, of van godsdienst, door het opschorten van de rijkssubsidie aan de SGP niet direct wordt aangetast. Er is alleen bepaald dat discriminerende uitgangspunten niet moeten worden bevorderd met belastinggeld. Dit is op zich een gezonde gedachte.

Naar verwachting zal de minister van Binnenlandse Zaken beroep aantekenen. Terwijl de jurisprudentie zo vorm krijgt, kan nu al worden gezegd dat het Haagse vonnis zowel een teken des tijds is als een signaal aan de samenleving. Ook andere organisaties die zich in het publieke domein op godsdienstige gronden schuldig maken aan vrouwendiscriminatie zijn nu gewaarschuwd. Maar tegelijkertijd moet worden gewaakt voor xenofobe reflexen. Bijvoorbeeld zoals eerder verwoord door fractievoorzitter Verhagen (CDA) in de Tweede Kamer, die een dam wenst op te werpen tegen fundamentalistische moslimpartijen. De Nederlandse democratie is stevig verankerd. Klein onderhoud van het normatief kader is af en toe noodzakelijk. Maar zelfvertrouwen en respect voor de mening van minderheden blijven dat ook.