Orkanen van verandering

Een paar maanden geleden zag ik, toevallig een blik op de televisie werpend, een man van een jaar of vijftig – een ouwe lul, zeg maar – met grote tederheid een wagentje van een speelgoedtreintje op de rails zetten. Hij werd ondervraagd over zijn hobby. Het was tegenwoordig niet gemakkelijk, zei hij. De fabrieken die vroeger dat speelgoed maakten, waren gesloten. Moderne kinderen willen niet meer met treintjes spelen en daardoor raken bejaarden die er in hun jeugd verslaafd aan zijn geraakt in nood. Geen reserveonderdelen meer, uitbreidingen van het rollend materieel onbetaalbaar, rails, wissels, kruispunten idem. Hij was lid van een club. Door gemeenschappelijke inspanning konden ze zich nog wel eens iets nieuws aanschaffen, maar de gouden tijd van de jaarlijkse Märklin-catalogus was voorgoed voorbij. Ik had medelijden. De generaties van de treintjes zijn aan het verkommeren.

Ik beken dat ik ook met treintjes heb gespeeld. Was je er eenmaal aan begonnen, dan wilde je meer. Nog een locomotief, nog een paar wissels, meer rails. Op den duur ontstond gebrek aan ruimte. Daarna bleef er niets anders over dan je bezit over de baanvakken te laten razen, een beetje rangeren of een ongeluk veroorzaken. Het aanleggen van het geheel was leuk, daarna, als het grote mechaniek voltooid was en het werkte, werd het al vlug stomvervelend, vond ik. Het was aan het einde van de oorlog, ik was begonnen te roken. Toen heb ik met een zekere Woutje mijn hele installatie voor tabak geruild. Nooit spijt van gehad.

Heel anders ging het met de stoommachines en de windbuksen, die ook tot het speelgoed werden gerekend. Een stoommachine, hoe klein ook, is een ingewikkeld organisme. Dat is een treintje ook, zult u zeggen, maar om het elektrische als stoomlocomotief verklede ding te laten rijden, hoef je alleen maar aan de transformator te draaien en hij begint. Een stoommachine eist zorg. Ketel met water vullen, spiritusbrander aansteken, stoom maken. Uit een lekkende pakking klinkt zacht gesis. De machine is op stoom. Nu kan het ieder ogenblik gebeuren. De geboorte van de beweging. Het vliegwiel begint te draaien. Een beetje smeerolie op de as. Het gaat nog beter. Geuren van stoom, olie en spiritus mengen zich tot een goddelijk aroma. Dat bedoel ik met het verschil tussen een treintje en een stoommachine. Het treintje hoef je alleen via knoppen te bedienen. Het machientje vraagt begrip, je moet er een beetje verstand van hebben, en tot beloning kun je je ermee vereenzelvigen.

Denkend aan de treintjesliefhebber van de televisie liep ik vorige week langs de winkels van de Heiligeweg in Amsterdam. Er is daar een speelgoedwinkel. Ik wilde me op de hoogte stellen van de treintjestoestand, ging naar binnen, inspecteerde de schappen, bekeek ook nog het aanbod op de entresol. Een overweldigend aanbod van plastic auto's, trek- en duwvoertuigjes voor zandbak en strand, cohorten guitig kijkende poppen, mobiele telefoontjes, computerspelletjes, maar inderdaad, geen treintjes. Er kwam een winkelmevrouw van een jaar of 22 naar me toe. `Zoekt u iets speciaals?' Niet omheen draaien, dacht ik. `Hebt u ook stoommachines?'

Haar onderlip zakte een beetje af, haar ogen werden wat groter. Ouwe lul een beetje in de war, maar waarschijnlijk niet gevaarlijk, hoorde ik haar denken. `Stoommachines? Nee hoor meneer, die hebben we, zeg maar, niet in ons assortiment.' Beleefd groetend ging ik weer naar buiten, sloeg rechtsaf de Voetboogstraat en kwam langs de plaats waar in 1996 Joes Kloppenburg is doodgeslagen. Een van de eerste slachtoffers van wat we toen zinloos geweld zijn gaan noemen. Er is een koperen gedenkplaat in het plaveisel aangebracht.

De hele buurt werd toen door het kabinet tot `geweldloze zone' uitgeroepen. Aan het begin van de straat werd een bord neergezet met die gebiedende woorden. Dat bord is er nog, maar het hangt half ondersteboven en het is zo vuil geworden dat je moet weten wat er staat om het te kunnen lezen. Er is ook een stoeptegel met een onzelieveheersbeestje, met dezelfde vermanende bedoeling. Toch nog even een proef genomen. `Waarvoor is die tegel?', vroeg ik een keurig uitziende wandelaar van een jaar of veertig. Weer die blik van deze man is misschien niet helemaal in orde. `Voor het mooi', zei hij en wandelde verder.

Ik liep in de richting van het Spui, waar café Hoppe nu definitief is overgedragen aan de man die in de media `de Groningse horecatycoon Sjoerd Kooistra' wordt genoemd. In Het Parool van donderdag las ik dat er een afscheidsfeestje is gehouden, met de laatste borrel voor de halve prijs. Ach, Hoppe. In jaren niet geweest, maar ik heb er dierbare herinneringen aan, net als aan Restaurant Bodega Keyzer en de Oesterbar die sinds een paar jaar ook van de horecatycoon zijn. Wat hij met zijn bezit doet, de hemel zal het weten, maar hij blaast er de adem van de zieltogendheid in. Bij Keyzer heb ik na zijn grote vernieuwing nog één keer om de hoek gekeken, een kopje koffie van een bevriende ober gekregen, de vervaarlijke kroonluchters bezichtigd en gedacht: niets voor mij.

De treintjes en de stoommachines verdwijnen net als de oude cafés en restaurants, de toch nog niet zo oude vredesoproep van een lieveheersbeestje wordt niet meer begrepen, de orkaan van vernieuwingen blaast alles omver. Maar is dit een weemoedig stukje? Geen sprake van. Na deze zin te hebben geschreven, ga ik een totale vernieuwing bezichtigen, waarover ik u volgende week verslag zal doen. Ik verheug me.

    • S. Montag