Naar de voedselbank kun je ook per Mercedes

Beter hulp in natura voor armen dan nietszeggende inkomensplaatjes, vindt Maarten Huygen, die als commentator reist door de samenleving.

De buurtbewoners van het korte, smalle Brantstraatje in Helmond mopperen over de voedselbank. Als die opengaat, kunnen ze niet meer parkeren omdat de hele wijk volraakt met vreemde auto's. En inderdaad zie ik mensen de plastic zakken met gratis broden, groente en gehakt of shlaschliks in kofferbakken van auto's laden, net als bij een gewone supermarkt.

Ik spreek een grote, sterke man met tatouages die in een oude Mercedes diesel wacht op zijn vrouw en dochter die binnen hun gratis pakket ophalen. Hij schaamt zich voor de voedselbank, zegt hij. Maar zijn Mercedes vindt hij kennelijk nog belangrijker. Het is de enige status die hij nog bezit als ex-gedetineerde die nergens wordt aangenomen. Nu hij zo onverstandig is met zijn dure bezit, moet zijn gezin toch kunnen eten.

Financieel adviseur Map Aalst die elke donderdagmiddag gratis advies geeft aan bezoekers van de voedselbank ziet die auto als dure verslaving. ,,Net als alcohol of drugs'', zegt ze, en die hakken ook in een uitkering. De shag die door veel bezoekers wordt gerookt, kost ook veel geld. De autoverslaving wordt bevestigd door de cijfers van het rapport van het Sociaal en Cultureel Planbureau: de sociale ongelijkheid groeit, maar ook het aantal auto's onder de mensen. Eenderde van de minima heeft er een.

De 41-jarige Carla heeft haar auto nodig om van Helmond naar de jeugdinrichting in Rekken rijden, waar haar zoon is opgenomen. Het is een uur lopen van het dichtstbijzijnde busstation in Haaksbergen, zie ik op de dienstregeling. Maar Carla heeft een ernstige ziekte aan hart en longen. De meeste kinderbijslag besteedt ze aan benzine, een fractie van de totale autokosten. Dan is voedselhulp een welkome aanvulling.

Veel bezoekers hebben geen auto maar zeulen de zware tassen lopend of op de fiets naar huis. Drie Turkse vrouwen met hoofddoek laden hun tassen in een kleine Subaru. Er is niet één typische arme of één inkomensplaatje, merk ik na drie uur praten rond de gezellige, rokerige tafels met koffie, koekjes en worst in de gemeenschapsruimte. Pech, eigen schuld, maatschappelijke onzelfstandigheid, ziekte, echtscheiding, eenoudergezinnen – om allerlei redenen hebben mensen gratis voedsel nodig. Ik hoor verhalen over gruwelijke ziektes, zware ongelukken, echtelijke ruzies, mishandeling, uit huis geplaatste kinderen.

De 49-jarige Henk Spruyt, een man met paardenstaart en tatouages, heeft drie kinderen van drie vrouwen en houdt na aftrek van alimentatie en de huur voor zijn woonwagen een paar tientjes per maand over. Hij mist na een bedrijfsongeval drie halve vingers en rijdt in een door de gemeente verstrekte elektrische driewieler omdat hij slecht loopt, hetgeen zijn kansen op de arbeidsmarkt nihil maken. Zijn relaas bevat veel afkortingen van instanties waar hij tevergeefs aanklopte voor hulp.

Kan de overheid deze unieke financiële noden oplossen met meer gedetailleerde uitzonderingsregels? Ik denk het niet. Bij zoveel levensstijlen, individuele keuzes en onvrijwillige noden blijft hulp in natura het laatste redmiddel. Het verstrekken van eerste levensbehoeften is effectiever dan het geven van meer geld dat op kan gaan aan schulddelging, handige polisverkopers of andere oneetbare zaken.

Hoe schamper was de kritiek in Nederland toen president Reagan begin jaren tachtig begon met het van overheidswege uitdelen van kaasoverschotten aan de armen. Dat was mensonwaardige bedeling. Liefdadigheid was fout. Mensen verdienden hun uitkering.

Maar tijdens deze recessie zijn Nederlandse vrijwilligers met het verstrekken van voedseloverschotten begonnen, eerst in Rotterdam, de stad met de grootste concentratie armen, en nu over het hele land, van Groningen tot het Zuid-Limburgse Landgraaf. De bank, met prominente bedrijven en industriëlen als sponsors, deelt voedsel van supermarkten en restaurants uit, waarvan de uiterste verkoopdatum nog niet is verstreken. In Rotterdam wordt volgende maand zelfs een supermarkt voor de minima geopend als stageplek voor een beroepsopleiding.

Armen gaan gebukt onder stijgende lasten, terwijl de tijdgeest hen slecht is gezind. De oude, solidaire verzorgingsstaat was homogeen maar Nederland is nu multicultureel, net als Amerika. Burgers werden moe van minimumlijders. De publieke aandacht verschoof naar mensen met succes en naar de bestrijding van fraudes van minder geslaagden. Nederland was wereldkampioen arbeidsongeschiktheid geworden. In een leger uitkeringstrekkers zochten werkgevers vergeefs naar arbeidskrachten. Nu de overheid de armen van hun afhankelijkheid van een uitkering af wil helpen, vervullen voedselbanken een nuttige functie als noodhulp.

Veel armen zijn al niet vrij in hun bestedingen omdat ze wegens boekhoudkundig onvermogen op rantsoen zijn gezet. Na aftrek van alle lasten blijft er nog hooguit een paar honderd euro per maand over. Volgens financieel adviseur Map Aalst zijn haar arme cliënten te laag opgeleid om de gecompliceerde dagelijkse boekhouding aan te kunnen. Ze gooien teruggave-formulieren weg, betalen rekeningen dubbel of laten zich bedriegen door een luie zaakwaarnemer.

Iedereen in de Helmondse voedselbank vreest de nieuwe zorgverzekering. Er hoort een ingewikkeld teruggavesysteem voor premies bij. Maar als een arme dat geld op de rekening krijgt gestort, gaat hij meteen naar de stad om schoenen voor de kinderen te kopen en dan blijft er niets over. Blijven ze dan nog wel verzekerd? Geef hen liever direct korting op de premie.

Het misverstand dat iedere Nederlander zo briljant is als een ambtenaar, komt het hardste aan bij de minima. Net als de Amerikaanse overheid die dacht dat iedereen in het gebied van de orkaan Katrina eigen vervoer had, zodat evacuatie overbodig was. Ook de Rekkense jeugdinrichting acht busvervoer overbodig voor de vele bezoekers die weinig geld hebben. Armen zijn uit de mode. De overheid kan niet ieder tekort vergoeden maar de basisvoorzieningen moeten in orde zijn.

    • Maarten Huygen