Het is kortzichtig om religie te verwaarlozen

Zonder oog voor religie is goede ontwikkelingssamenwerking onmogelijk. Religie wordt steeds vaker geassocieerd met terrorisme, maar ondertussen inspireert het geloof nog iedere dag wereldwijd vele mensen om goede werken te verrichten.

Religie is een delicaat onderwerp. Ook op het terrein van ontwikkelingssamenwerking. Het is gemakkelijker om over praktische zaken te praten: wegen, scholen en ziekenhuizen. Maar in het dagelijks leven in ontwikkelingslanden speelt religie een grote rol: niet alleen in besloten kring, maar juist ook in het maatschappelijk leven. Rijke landen die ontwikkelingshulp willen bieden, moeten religie dan ook hoog op hun beleidsagenda zetten. Niet om zieltjes te winnen, maar om levens te redden. We kunnen namelijk niet effectief de helpende hand bieden zonder rekening te houden met wat mens en maatschappij in die landen beweegt. Helaas is het onderwerp een blinde vlek in het ontwikkelingsveld. Dat komt mede doordat wij in West-Europa, in Nederland meer en meer op een overspannen manier met religie omgaan. Terwijl wij religie steeds vaker in één adem met het verschijnsel terrorisme noemen, inspireert diezelfde religie nog iedere dag wereldwijd vele mensen om goede werken te verrichten.

In het Oude Testament lezen we bijvoorbeeld: ,,Gij zult uw hand mildelijk opendoen aan uw broeder, aan uw bedrukten en aan uw armen in uw land.'' Bij ontwikkelingssamenwerking is de wereld ons land en zijn alle armen onze armen. De foto `Hands', van Michael Wells, raakt de kern van de zaak: we zien hoe een weldoorvoede westerling de uitgemergelde hand van een Ugandees kind vasthoudt. Twee handen die symbool staan voor de armoede die de wereld verdeelt. Maar deze handen symboliseren ook de compassie die de wereld kan verenigen. In dit geval is deze compassie afkomstig uit een religieuze bron: de westerse hand is de hand van een missionaris. Voor mij als kind was een missionaris het gezicht van ontwikkelingssamenwerking. Regelmatig bezochten missionarissen mijn ouderlijk huis om te vertellen over de bedrukten en de armen aan de andere kant van de wereld. Zij overtuigden mij ook dat zelfs ik, een kind in een klein Nederlands dorp, een verschil kon maken in het leven van onze naasten ver weg, bijvoorbeeld door geld in te zamelen voor ontwikkelingsprojecten of door protestbrieven te schrijven aan regeringen die de mensenrechten met voeten treden. Die overtuiging heeft mij nooit meer verlaten.

Maar het christendom is niet de enige religie die goede werken van gelovigen verwacht. De helpende hand op de foto zou evengoed de hand van een moslim kunnen zijn. Zo zei de profeet Mohammed: ,,De sleutel van het paradijs is liefde voor de armen.'' In feite zijn alle godsdiensten begaan met het lot van de armen en zwakkeren in de samenleving. De Talmoed gebiedt: ,,Kleed de naakte medemens, bezoek de zieken, troost de rouwende mens en begraaf de doden.'' Boeddha zei eens: ,,Als wezens de resultaten kenden van geven en delen, zoals ik die ken, dan zouden ze niet eten zonder te hebben gegeven, en er zou ook geen egoïsme in hun harten zijn.'' In het hindoeïstische geschrift de Rig Veda lezen we: ,,Een rijk man moet diegene steunen die hulp nodig heeft. Hij moet op de lange termijn letten, want welvaart gaat rond zoals het wiel van een strijdwagen en komt nu eens aan de één, dan weer aan de ander toe.'' Vandaag de dag horen we alleen maar over heilige oorlogen. Maar wie de heilige teksten zorgvuldig leest, ziet het ware gezicht van religie: de heilige plicht jegens de ander.

Het is spijtig dat religie in het huidige ideologische klimaat vaker wordt gezien als onderdeel van het probleem dan als onderdeel van de oplossing. Dit zorgt niet alleen voor maatschappelijke onrust in eigen land, maar ook voor gemiste kansen in onze ontwikkelingssamenwerking. In Afrika, een continent doordrenkt van spiritualiteit, wordt de religieuze inspiratie om goede werken te verrichten als volgt verwoord: ,,when you pray, move your feet!'' De Afrikaanse realiteit blijft ongrijpbaar zolang we geen oog hebben voor die spiritualiteit en voor de rol van religieuze organisaties, ook waar het om praktische zaken gaat: zo wordt meer dan de helft van alle scholen en ziekenhuizen door religieuze organisaties gerund (laten we niet vergeten, dat dit ook in eigen land vroeger het geval was en niet zelden nog steeds zo is). Waar de staat om welke reden dan ook faalt, knappen deze organisaties het vuile werk op. Het is duidelijk, dat religieuze organisaties, meer dan de overheid, in staat zijn om de maatschappij op een positieve manier te mobiliseren.

Het is dan ook niet verbazingwekkend, dat veel mensen zich meer verwant voelen aan religieuze organisaties die zich om hen bekommeren dan aan de staat die niet thuis geeft. In deze verwantschap schuilt natuurlijk ook een gevaar. Fundamentalistische organisaties in arme landen maken er misbruik van om hun perverse visie op religie aan de man te brengen en om nieuwe voetsoldaten te recruteren. Niettemin ben ik ervan overtuigd, dat de grote meerderheid van de religieuze organisaties uit motieven van menslievendheid handelt. Hier ligt ook een duidelijke taak voor ontwikkelingssamenwerking. Wij moeten samenwerken met overheden en religieuze organisaties van goede wil, om zo arme kinderen uit de scholen te houden waar alleen haat op het lesprogramma staat. Dit is een veel effectievere methode voor terrorismebestrijding dan de leerlingen van deze scholen op onze eigen straten te bevechten.

In de meeste delen van de wereld, vooral de arme delen, zijn de straten trouwens heel wat onveiliger dan hier: in 2001, het jaar waarin de Twin Towers vielen, leefde maar liefst een derde van de wereldbevolking in een oorlogssituatie. Wereldwijd vochten 30 landen in 37 oorlogen – meestal intern van aard en meestal zonder een TV-camera in de buurt. Veel mensen geven religie de schuld van deze conflicten: ,,Godsdienst? Daar komt alleen maar oorlog van!'' Dit is oneerlijk en onjuist. De voortwoekerende burgeroorlog in Darfur gaat bijvoorbeeld voornamelijk over natuurlijke hulpbronnen – het is een strijd van moslims tegen moslims. Zelfs waar mensen beweren voor of door hun geloof te vechten, gaat het vaak om meer wereldse zaken zoals geld en macht. Maar wanneer de meest heilige woorden worden misbruikt als excuus voor de meest onheilige daden, moeten gelovigen zich publiekelijk uitspreken. Wanneer ik bijvoorbeeld de Liberiaanse oorlogscrimineel Charles Taylor hoor beweren dat hij een vrome christen is, voel ik mij als christen diep beledigd. Aanhangers van alle verschillende geloofsrichtingen zouden hun eigen rotte appels uit de mand moeten gooien: anders bederven ze alles. Sommige islamitische geestelijken hebben islamitische terreuraanslagen in het openbaar veroordeeld. Tot nu toe zijn zij echter niet talrijk genoeg en klinken hun stemmen niet luid genoeg door. Alle moslims ter wereld moeten zich achter één boodschap scharen richting de haatprekers: ,,jullie spreken niet namens ons!'' Uiteindelijk gaat het natuurlijk niet om woorden maar om daden: gelukkig hebben veel gelovigen juist de positieve kracht van hun religie aangesproken om een einde te maken aan geweld. Dit is een onmisbare bijdrage aan de ontwikkeling van landen, want vrede is een absolute voorwaarde voor die ontwikkeling. Zo was de bemiddeling van de Rooms-Katholieke lekenorganisatie Sant'Egidio in 1992 van doorslaggevend belang bij het beëindigen van de burgeroorlog in Mozambique, die aan meer dan een miljoen mensen het leven kostte. In het roerige Noord-Oeganda sloegen christelijke en islamitische leiders de handen ineen om via het Acholi Religious Leaders Peace Initiative aan vrede en vertrouwen tussen de verschillende bevolkingsgroepen te werken. Doordat religieuze leiders vaak dichtbij de mensen en bij hun dagelijkse problemen staan, hebben zij de morele autoriteit om de strijdende partijen tot inkeer te brengen en het wapengekletter te doen verstommen. Religieuze organisaties luiden dus niet alleen kerkklokken, maar ook vredesklokken. Om dit onderwerp verder uit te diepen, organiseert het ministerie van Buitenlandse Zaken dit najaar een conferentie over religie en vredesopbouw.

Het is een gemeenplaats, dat religie zowel positieve als negatieve effecten op de ontwikkeling van een land kan hebben. In het huidige tijdsgewricht worden echter vooral de negatieve effecten belicht. De goede werken van veel gelovigen blijven daardoor stille werken. Dat is kwalijk, want onderbelicht betekent ook vaak onderbenut.

De relatie tussen religie en ontwikkeling geldt eveneens omgekeerd: ontwikkeling heeft ook gevolgen voor religie. Modernisering en globalisering beïnvloeden onvermijdelijk de traditionele religieuze overtuigingen en praktijken: in het westen kunnen we op dit punt uit eigen ervaring spreken. Sinds de industriële revolutie, toen de technologie het productieproces transformeerde, is verandering de enige constante in de moderne wereld. Van verandering kan een grote dreiging uitgaan. Karl Popper spreekt van ,,de druk van de beschaving''. Westerse landen hebben er lang over gedaan om zich te verzoenen met en aan te passen aan het onstuitbare moderniseringsproject. Terwijl het verbond tussen wetenschap en technologie de grenzen van het weten steeds verder oprekte, kwam het geloof steeds verder onder druk te staan. Waar het geloof week, kwamen daar vaak gevoelens van verwarring en vervreemding voor in de plaats. Aan het einde van de negentiende eeuw, kondigde Friedrich Nietzsche zelfs de dood van God aan. Het laatste restje naïef vooruitgangsgeloof stierf af toen fascisme en communisme, beide ten dele een tegenreactie op de moderniteit, de twintigste eeuw tot de bloedigste in de geschiedenis van de mensheid maakten. Gezien de langzame en pijnlijke geboorte van de moderniteit in ons eigen deel van de wereld, kunnen en mogen we van ontwikkelingslanden niet verwachten dat zij van de ene dag op de andere moderniseren. Net als wij, hebben zij tijd nodig om zich staande te kunnen houden in de moderniseringsgolf die iedere dag over ons heen komt.

Het is aan ons om te voorkomen dat de mensen in ontwikkelingslanden verdwalen in de moderniteit. Dit is van levensbelang: in Nederland verdubbelde bijvoorbeeld de levensverwachting dankzij de vruchten van wetenschap en techniek. Nu is het onze opdracht om dergelijke voordelen van modernisering naar iedere uithoek van de wereld te verspreiden, maar zonder de identiteit van mensen op het spel te zetten. De angst om in een globaliserende wereld de eigen identiteit te verliezen is ongetwijfeld één van de drijvende krachten achter iedere vorm van fundamentalisme. Ik geloof dat dit één van de grote thema's van onze tijd is: zullen modernisering en globalisering onze wereld verenigen of verdelen? Ons meest krachtige en tegelijkertijd meest kwetsbare instrument om een tweedeling te voorkomen is de dialoog, zowel in eigen land als wereldwijd.

De eerste stap in iedere dialoog, bij het uitsteken van de hand naar de ander, is het identificeren van gemeenschappelijke normen en waarden. Van ontwikkelingslanden waarmee wij samenwerken, verwachten wij bijvoorbeeld respect voor de mensenrechten. In een recent rapport, benadrukt de Adviesraad voor Internationale Vraagstukken ook, dat wanneer de uitgangspunten van ontwikkelingspartners onverenigbaar blijken, de grenzen van de dialoog in zicht komen. Hierbij moeten we niet alleen met de vinger naar ontwikkelingslanden wijzen. We moeten ook kritisch blijven ten aanzien van onze eigen houding en positie in de dialoog.

De relevante vraag is hier: kunnen wij als seculiere westerlingen, als seculiere Nederlanders, adequaat de dialoog voeren met landen waar religie nog in de genen van de mensen en tussen de bakstenen van de gebouwen zit? Voor veel Nederlanders hoort religie bij het verleden: kerken zijn monumenten en de bijbel is wereldliteratuur. Hieronder bevinden zich ook veel ontwikkelingswerkers. Maar als we echt iets willen bereiken in arme landen, dan rest ons niets anders dan de rol van religie serieus te nemen.

Dit is geen gemakkelijke opdracht: in eigen land lijken velen religie namelijk allang niet meer serieus te nemen. Voorstanders van een radicale secularisatie, zoals Leon de Winter, Ayaan Hirsi Ali, Herman Philipse en Afshin Ellian, proberen religie zelfs helemaal uit het publieke domein te verbannen. Zij vergeten, dat religie voor veel mensen een onmisbaar anker is in tijden van grote en snelle veranderingen. Daarnaast geven zij zich er geen rekenschap van, dat religie ook zelf een katalysator voor positieve veranderingen in de maatschappij kan zijn: zo herinner ik mij nog levendig, hoe twintig jaar terug de onlangs overleden kardinaal Sin de succesvolle revolte tegen de Filipijnse dictator Marcos leidde. De historicus Han van der Horst vergeleek de radicale secularisten deze week in de Volkskrant met de Franse Jacobijnen, wier opkomst uiteindelijk tot een intolerant terreurbewind leidde. Veel Nederlanders ergerden zich zelfs aan de suggestie om een verwijzing naar de Joods-christelijke traditie op te nemen in de Europese Grondwet, ook al is deze traditie een hoeksteen van de Europese identiteit. De Nederlandse journalisten die de begrafenis van wijlen paus Johannes Paulus II versloegen, leken verbaasd en verbijsterd toen zij geconfronteerd werden met de Rooms-Katholieke rituelen en met alle publieke uitingen van religieuze emotie. Zelfs een onschuldige religieuze traditie als de hoofddoek is voor menigeen in dit land een steen des aanstoots.

De tolerantie voor religieuze uitingen in het publieke domein neemt in Nederland met de dag af. Om even terug te gaan in de tijd: in 1566 raasde de beeldenstorm door de Nederlanden, waarbij talloze religieuze objecten van katholieken met hamers en bijlen kapot werden geslagen. Ik zie vandaag de dag een nieuwe storm opkomen: de hedendaagse beeldenstormers zijn radicale secularisten die het publieke domein willen zuiveren van religieuze uitingen. Een nieuwe reeks islamitische terreuraanslagen zou kunnen terugslaan op het fenomeen religie in het algemeen en de nieuwe beeldenstormers de wind in de zeilen kunnen geven.

Natuurlijk moet de staat seculier van karakter blijven, maar het publieke domein is geen staatseigendom: het behoort de samenleving zelf toe. Veel immigranten in Nederland begrijpen maar weinig van het nieuwe seculiere radicalisme. Mensen in ontwikkelingslanden begrijpen er nog minder van. Het is duidelijk, dat we onze religieuze wortels weer op moeten graven als we echt contact willen leggen met de minderheden hier en de meerderheid daar. In Nederland zouden we bijvoorbeeld de dialoog tussen de verschillende religies kunnen stimuleren. Hierbij zouden we een voorbeeld moeten nemen aan Suriname, waar christenen, hindoes en moslims gezamenlijk maatschappelijke problemen bespreken in een interreligieuze raad. In Nederland zouden we meer overlegorganen voor interreligieuze dialoog kunnen gebruiken. Het lijkt mij, dat we meer dan genoeg te bespreken hebben.

Tenslotte. Zijn we in Nederland wel zo seculier als we zelf denken? Met name jonge mensen lijken erg geïnteresseerd in het ontdekken van hun religieuze identiteit. Veel Nederlandse en Surinaamse jongeren vonden deze zomer de weg naar Keulen en luisterden daar aandachtig naar elkaars geloofservaringen. Ik geloof dat mensen nooit zullen ophouden met het stellen van de grote vragen naar de zin van het leven en naar verleden, heden en toekomst van het universum. Velen van ons zullen de antwoorden op deze vragen bij religie blijven zoeken en vinden. En op een meer emotioneel niveau: wie kan er naar de foto `Hands' kijken, zonder de noodzaak te voelen om de hand van het breekbare Ugandese kind vast te pakken en zodoende de heiligheid van het leven te beschermen? En is dat uiteindelijk, diep van binnen, geen religieuze emotie?

Agnes van Ardenne

Minister van ontwikkelingssamenwerking. Onderstaande tekst is de bekorte en bewerkte versie van de rede die zij eerder deze week uitsprak bij de opening van de Cordaid, ICCO en ISS conferentie `Religie: een bron voor mensenrechten en ontwikkelingsamenwerking'.

    • Agnes van Ardenne